Van De Cassandra Paradox (DCP) verschijnt in maart 2006, twee maanden na de release, de tweede druk en in juni al de derde. Mijn boek wordt genomineerd voor de Gouden Strop, die wordt gewonnen door Charles den Tex’ De macht van meneer Miller, en later voor de Diamanten Kogel die wordt gewonnen door Felix Thijssens Het diepe water. In 2006 gaan tienduizend exemplaren van mijn debuut over de toonbank; het gemiddelde voor een Nederlandstalige thriller – als we de megasellers Ross, Noort, Verhoef c.s. gemakshalve even buiten beschouwing laten – ligt rond de tweeduizend. Is tienduizend conform de verwachtingen? Dacht ik niet eigenlijk te kunnen wat Dan Brown kon? ‘Je moet gewoon een Kluun schrijven,’ zei iemand laatst tegen me. Ik schreef geen Kluun, noch een Dan Brown. Inmiddels begrijp ik wat ik van mijn lezers vraag. Terugkijkend heeft mijn debuut twee soorten lezers: zij die het niks vinden en het na hooguit tachtig pagina’s gillend wegleggen (waaronder de Detective- en Thrillergids van Vrij Nederland), en zij die er geen genoeg van kunnen krijgen (‘alleen dat einde zou ik nog eens naar kijken, Asman’).
Tienduizend kopers. Dat zijn minimaal tienduizend lezers. Drie maal het stadion van Excelsior uitverkocht. Als er in januari 2006 honderd bij mij thuis liggen opgestapeld (in, hoe kan het ook anders, de vorm van een piramide, met dank aan W&I) pink ik een traantje weg en heeft de woordkunstenaar even zijn mond vol tanden. En ja ik heb aan het papier staan ruiken. Tienduizend, dat is honderd keer die piramide. Volgens Renate Dorrestein dromen een miljoen Nederlanders van wat ik meemaak: een boek schrijven, en dan ook nog uitgegeven worden, en dan ook nog mooie recensies, herdrukken, op de shortlist, een verkoopresultaat om trots op te zijn. Als je niet oppast, wordt de droom gewoon, een recht. De menselijke behoefte aan telkens meer, beter, groter, gelukkiger, slimmer – uit nieuwsgierigheid, hebzucht, vooruitgangsdenken – is in mijn idee een van onze meest interessante en tegelijkertijd meest angstaanjagende eigenschappen (nota bene een van de thema’s van DCP). René Kuiper vertelde mij ooit van de bergbeklimmer die zijn leven lang klimt, naar steeds hogere toppen en vergeet te genieten van het uitzicht, dus ik ben gewaarschuwd. En dus kan ik genieten van het bordje ASMAN op de eerste rij bij de uitreiking van de Gouden Strop, tussen ROSS en DEN TEX in. En natuurlijk wil ik winnen, de debutant heeft zijn oneliner al klaar: ‘Dat werd tijd!’
Als je oplet en tijd neemt is het uitzicht overal. Uniek zijn de herinneringen aan mijn eerste fotoshoot als schrijver: het kost Mark Kohn uren om me dreigend en alwetend te laten kijken. Uniek is ook het moment bij boekhandel Jacques Baas (‘thriller over nine-eleven beleeft in Driebergen wereldpremière’, schrijft de Nieuwsbode) waar ik voor het eerst vanaf die omslagfoto wordt herkend. Op zondag 22 januari 2006 zie ik mezelf ‘in het wild’ liggen, toepasselijk tussen een stapel King en een stapel Ludlum in (in de stations-AKO van Alkmaar). Een onbekende mevrouw in de Bijenkorf in Amsterdam pakt mijn boek, bladert erin, legt het weer neer, drentelt weg, keert terug, pakt het opnieuw en rekent het tenslotte daadwerkelijk af – de eerste live koper, op 30 januari 2006. Ooggetuige van dat tergende kwartiertje: mijn vader.
In de categorie uniek, want onverwacht: In het zomermagazine van de ECI sta ik met stip op nummer 1 in de Top Tien Literatuur, met als runners-up een zekere W.F. Hermans op 8 en Gerrit Komrij op 5. Begin februari 2006 wil zwager K. wel eens zien hoe mijn boek erbij ligt bij Donner in Rotterdam. Hij vindt niets en wil mij een alarmerende sms zenden als hij bij de uitgang twee torenhoge displays tegenkomt, vol met mijn boek (ik blijk Donners tip van de maand februari). Mijn eerste buitenlandse recensie (Omrop Fryslân) niet te vergeten, en de twee pagina’s in het Engelstalige Dutch Crime Writers, promotie gericht op de Angelsaksische markt (‘a rich book’, geniale knipoog of vertaalblunder?). Kortgeleden attendeert een voormalig collega en vader me op de luister-cd van mijn boek (negentien uur lang voorgelezen door een keurige dame namens het NLBB), en hoor ik enigszins verwonderd mijn eigen woorden. Tenslotte, last but not least, uniek en onverwacht: de meneer die het boek al bij voorintekening op de website twee maal bestelt voor de verjaardag van zijn tweelingdochters Helene en Fleur.
De Cassandra Paradox is fictie. Het beschrijft een tempelruïne aan de voet van de Andes, een Britse archeologe, een Amerikaanse staatsman in een rolstoel, een charismatische hoogleraar, een geflipte wetenschapper, een geheim CIA-onderzoek, de machtspolitiek na nine-eleven. Het gaat, kortom, helemaal niet over mij. Maar iets persoonlijkers dan dit boek heb ik zelden afgeleverd. Vooraf ben ik gewaarschuwd dat een boek ook gewoon in een zwart gat kan verdwijnen. Thrillers, vooral wanneer ze niet geschreven zijn door een Angelsaks of Scandinaviër, krijgen zelden aandacht in de serieuze pers, zo is de ervaring. Wanneer het boek uitkomt, op 19 januari 2006, volgt dat wonderlijke moment van radiostilte, waarin je je werkelijk even afvraagt of je eigenlijk wel aandacht wilt. Dan volgen de recensies, de eerste op crimezone (nog steeds koester ik: ‘een bevlogen, universele thriller’) en in Het Parool (slim, spannend en subversief), de NRC (een rijk boek, overtuigend, caleidoscopisch, intelligent), Trouw (Asman is een aanwinst). Nog los van wat er waar is van de broodjes aap over voorspelbaar omgekeerd psychologisch groepsgedrag onder recensenten, is het statistisch te verwachten dat een KRO-detective website volgt (verwarrend boek) en Boek magazine (Asman verstrikt in eigen web). Als het boek eenmaal in de winkel ligt, is het niet langer van de schrijver, maar van de lezer, heb ik van Stephen King geleerd. Ook de woorden van Bouke de Boer, die zei dat mislukking niet bestaat, alleen feedback, en feedback is the breakfast of champions, heb ik in mijn oren geknoopt. Dus kan ik zelfs de ene ster voor de moeite aan, die ik van de VN Detective- en Thrillergids 2006 krijg. Want ik heb thuis aan de ontbijttafel uitzicht op de woorden van Rinus Ferdinandusse, ingelijst. (WA, mei 2007)
Genomineerd voor de Gouden Strop 2006