Schrijven is schrappen – to kill your darlings.
Het oorspronkelijke manuscript van De Cassandra Paradox telde duizend pagina’s. ‘Vlot geschreven,’ oordeelde De Bezige Bij. ‘Maar wel een beetje lang vlot.’ Aftellend naar de verschijningsdatum van het boek, op 19 januari 2006, publiceerde deze website 52 scènes die niet in de boekwinkel te koop zijn – op één na (dag 53, het begin en het einde). Hoofdstukken die niet pasten en wel. Een eerbetoon aan mijn darlings.
(WA, november 2005)
Miami Dade Police Department, Doral District Station, NW 25th Street
‘Ja.’
Sergeant Frank X. Delaney had het kunnen voorspellen. De stem van de chief klonk kortaf en luid. Hij hield er niet van gestoord te worden, en al helemaal niet tegen het einde van de dienst.
‘Sir, goedemiddag, Delaney hier, van de balie beneden.’
‘Wat.’
De chief hield ook niet van vraagtekens.
Delaney klemde de hoorn van de telefoon tegen zijn schouder en keek achterom. De man zat er nog steeds. Keurig type. Jasje, dasje. Kaarsrecht, gelaten, keurig. Op het bankje tegenover het prikbord met de WANTED-posters.
Hij zat op zijn beurt te wachten. Als een sollicitant, dacht Delaney.
‘Kan ik u even storen, chief, er is namelijk…’
‘Ik geloof best dat jij dat kan, sarge, maar luister, ik bel je zo terug, ja. Minuut of tien.’
‘Misschien even een korte vraag dan?’ Delaney wist hoe dat ging met dat terugbellen.
‘Kort.’
‘Nou, ziet u, er zit hier een man. Hij kwam vanmorgen aanlopen en zei dat hij zich wilde aangeven.’ Delaney pakte zijn notitieblok erbij en las voor: ‘Een zekere Mohammed El Shakri Ben Ibrahim. Of zoiets. Een Algerijn met een Frans paspoort.’
‘Zegt me niets,’ zei de chief.
‘Nee, mij eigenlijk ook niet. Ik heb geprobeerd het op te zoeken in de database, maar er is iets met het netwerk denk ik.’
‘En.’
‘Nou, hij zei dus dat hij een aanslag aan het voorbereiden was.’
‘Een aanslag.’
‘Dat zei hij, sir.’
‘En hij komt binnenlopen om jou dat te vertellen.’
‘Ja,’ zei Delaney, ‘hij heeft het bewijs bij zich. Een pak papier in een boodschappentasje.’
‘En.’
‘Het meeste is in Frans en Arabisch en dat kan ik niet lezen.’
‘Nee.’ Het klonk teleurgesteld.
‘En een schetsje, een bouwtekening van iets dat op een kruising lijkt tussen een eierwekker en een broodrooster,’ zei Delaney, blij dat hij ook iets kon melden dat hij wel had ontcijferd.
‘Een broodrooster.’
Delaney knikte en keek in zijn aantekeningen. ‘En hij zegt dat hij lid is van de terroristische beweging De Rode Augustusmaan.’
‘De Rode Augustusmaan. Nooit van gehoord.’ De chief zuchtte. ‘Oké. Hoe ziet hij eruit.’
‘Keurig type. Jasje, dasje. Donkere huid, geschoren, zwart kort haar. Arabisch uiterlijk zou ik zeggen. Vijfendertig jaar volgens het paspoort. Geboren in Marseille. Spreekt nauwelijks Engels. Erg beleefd.’
‘En hij wilde een aanslag plegen op…’
Delaney kuchte. ‘Het Empire State Building.’
‘Origineel.’
‘Met een privé-vliegtuigje gevuld met explosieven.’
‘Ja, natuurlijk. En dan komt hij zich in Miami aangeven.’
‘Ja, precies, dat vroeg ik ook. “Waarom ben je dan hier en niet in New York”, vroeg ik.’
‘En.’
‘Omdat hij geen aandacht wilde trekken.’ Delaney keek even om. De weirdo keek – uiterlijk onbewogen – naar het plafond alsof het de Sixtijnse fucking Kapel was.
Nu Delaney zijn verhaal had gedaan, had hij er spijt van de chief te hebben gestoord.
‘Hij wilde geen aandacht trekken. En dus loopt hij een politiebureau binnen.’
‘Ik heb het idee dat hij ze niet allemaal op een rijtje heeft, sir,’ zei Delaney. ‘Hij zei dat hij zich hier moest melden.’
‘Moest van wie.’
‘Dat vroeg ik hem ook. Dat wist hij niet.’
‘En nu denk jij dat hij niet goed bij zijn hoofd is.’
‘Hij lijkt me redelijk in de war, eerlijk gezegd. Ik bedoel als je terrorist bent, dan ga je je toch niet aangeven?’
‘Dus het is bullshit, denk je.’
‘Dat denk ik, ja.’
‘Luister, sarge…’ Het is welletjes, hoorde Delaney. ‘Wat doen we normaal gesproken met gekken.’
Het we ontging Delaney niet. ‘Nou, die geef ik een kop koffie meestal, om ze een beetje te kalmeren en dan stuur ik ze weg. Soms doe ik of ik dingen opschrijf en zeg ik dat ze zich elke dag telefonisch bij mij moeten melden. Ik heb wel eens gehoord dat zoiets helpt. Dat je net doet of je ze serieus neemt. Dat ze dan rustiger worden.’
‘O-k-é,’ zei de chief. Het deed Delaney denken aan een leraar die de klas laat wachten op een leerling die maar niet op het voor de hand liggende antwoord komt.
‘Dus normaal gesproken stuur je ze weg.’
‘Heb ik geprobeerd. Hij bedankte me beleefd en ging weer zitten. Hij zit hier al sinds vanmorgen.’
‘Heb je Immigration gebeld?’
‘Kan ik doen, maar u weet hoe dat gaat. Duurt eeuwig. In zijn paspoort zit een toeristenvisum. Twee weken geleden aangekomen op LAX. Ziet er betrouwbaar uit.’
‘Oké. Wat zouden we dan met hem kunnen doen.’
‘Nou ja, ik kan hem in de cel gooien natuurlijk, maar op verdenking van wat? Ik weet niets van deze meneer. We hebben wel wat anders te doen, zou ik zeggen. Hij is ook niet dronken of zo.’
‘Nou, dan laten we hem toch lekker zitten. Uiteindelijk gaat hij wel weer weg.’
‘Ja, dat dacht ik ook, maar nou komt hij daarnet naar me toe en zegt hij dat hij ook bekend is onder een andere naam. Atwah Izz-Al-Atwah. En die naam kennen we wel, die hangt hier aan de muur op de FBI-lijst van MOST WANTED TERRORISTS.’
‘Wàt.’
Delaney grijnsde. Het was nog wel geen vraagteken, maar het scheelde niet veel.
Conny legde de hoorn op de haak.
Aan de andere kant van de lijn zat haar vader, in zijn landhuis vol bedienden maar toch eenzaam. Nauwelijks tien minuten met de auto hiervandaan maar toch onbereikbaar. Het gesprek – dat geen gesprek was geweest – beëindigd.
Ze liet haar hand liggen op het toestel, alsof ze zo het gevoel van hulpeloosheid onder controle zou kunnen krijgen. Het liefst wilde ze het uitschreeuwen, krijsen tegen de muren en het plafond of tegen Adam haar echtgenoot, desnoods tegen een willekeurige vreemde (iemand in een winkel of op straat). Maar wat ze zei was:
‘Daddy?’
Ze schrok van haar eigen stem (de stem van een kind), trok haar hand van de telefoon alsof het apparaat plotseling gloeiend heet was geworden, en sloeg de hand voor haar mond. Het was niet nieuw voor haar dat hij niet luisterde op de dagen dat hij ontroostbaar was. Dan was hij op een donkere plek, ver weg in het verleden. Niets kon hem nog bereiken. Zelfs zijn eigen dochter niet. Hij was teleurgesteld in alles: zijn vrienden, de partij. In het leven.
In haar?
Ze pakte de foto. Het huis van haar vader hing er vol mee – foto’s van politici, staatshoofden, generaals, handen schuddend, breed grijnzend naar de camera.
Maar deze foto was een van zijn favorieten.
Het was een zwart-wit foto van haar vader – lang voor het ongeluk, lang voor de rolstoel – zoals ze hem het liefst herinnerde: lachend, wuivend, gebruind, statig, boven het hele gezelschap uittorenend, zijn zilvergrijze haar nog golvend.
Naast hem, zoals altijd, haar moeder. Ze keek niet naar de camera’s, maar naar Pat, toen al een sprekend evenbeeld van zijn vader. Haar kleine, stoere, blonde broertje Patrick, stralend en knap, saluerend naar de vlag, in kostuum, kaarsrecht en ernstig.
De foto was genomen in Norfolk, tijdens de tewaterlating van een vliegdekschip.
Ze wist het niet zeker – er stond geen datum op de foto – maar ze dacht dat haar broertje op deze foto negen of tien jaar oud was. Conny zelf moest dus twaalf zijn geweest.
Waar was ik toen deze foto werd genomen? dacht ze. En nu pas – alsof deze gedachte ze bevrijdde – kwamen de tranen.
Ze legde de foto abrupt opzij. Wat was Daddy allemaal niet ontnomen op die verschrikkelijke dag? En dan zit ik hier een beetje te kniezen dat ik hem niet kan bereiken?
Kom, sprak ze zichzelf toe. Ze veegde een denkbeeldig pluisje van haar blouse. Er was werk te doen. Volgende maand werd haar vader vijfenzestig. En Conny had – zonder dat hij het wist – iets voor daddy in petto.
Het kostte hem geen moeite te doen alsof, maar het liefst was professor Leonard Theodore Laura hier niet. Zelfs al was het een werkgroep, de tentamenperiode nog ver weg – hij hield er niet van ze voor te bereiden noch ze na te kijken – en geen stafvergadering.
Het verbaasde hem niet dat vier van de vijf werknemers met de pest in hun lijf naar hun werk gingen. Wat hem verbaasde was dat het niemand meer leek te verbazen, zelfs de werkgevers en de vakbonden niet – ze deden hun rituele rondedansje vingerwijzen en gingen over tot de orde van de dag.
Hij ging verzitten en hij kuchte in zijn vuist.
De discussie in het lokaal viel stil.
De hoofden van de studenten draaiden in zijn richting. Ze hadden de kuch blijkbaar opgevat als inleiding tot zijn inbreng. Een fractie van een seconde voelde hij de bekende paniek – hij had eerlijk gezegd geen idee waar ze het over hadden. Ergens in zijn tweede jaar, na de eerste verlenging van zijn tijdelijke aanstelling, was hij helemaal gestopt met werkgroepen voorbereiden. Niets willen bewijzen of bereiken, was het geheim van zijn succes. ‘Vertrouw nooit een professor omdat hij professor is,’ schreef hij aan het begin van elk studiejaar met grote letters op het whiteboard tijdens de kennismaking met een nieuwe groep studenten. En eronder schreef hij: ‘Er bestaan geen domme vragen – wel domme antwoorden.’ Hoe vaker hij ze vertelde dat hij de wijsheid niet in pacht had, hoe meer ze overtuigd raakten van het tegendeel. Het geheim van overtuigen is niet overtuigen – er was een tijd geweest dat de paradox hem amuseerde. Zijn eigen slimmigheidjes – woorden van een lafaard – werkten het beste in de ogen van anderen.
Ja, dacht hij, alles is goed, zeg het eerste dat in je opkomt.
‘En wat is hiervan het tegengestelde?’ vroeg hij.
Hij zag hun gelaatsuitdrukking van onzeker veranderen in dankbaar.
‘Een mooie gedachte om mee te nemen naar volgende week. Tot dan. Vanmiddag mijn spreekuur vanaf drie uur,’ zei hij door het gestommel van stoelen en tassen heen. Hij verliet als eerste het lokaal en liep door de lange gangen van het universiteitsgebouw naar zijn werkkamer. En zijn vierde aspirine van de dag.
Zij volgde hem op enige afstand.
Theresa Hastings naderde het basiskamp en zag tot haar opluchting dat ze de studentes voor was.
Laatstejaars archeologie. Het was moeilijk voor te stellen hoe Norman ze elke zes maanden weer voor een appel en een ei hierheen wist te lokken. Behalve goedkoop werden ze, vond Theresa, ook steeds luider. Was zij ook zo geweest? vroeg ze zich af. Met om de drie woorden wow of cool?
Ze vond ze vermoeiend, al bewonderde (benijdde?) ze hun onuitputtelijke energie. Terwijl archeologie toch echt anders was dan wat Hollywood er van had gemaakt. Het was geen romantisch avontuur op zoek naar spectaculaire mythische vondsten. Indiana Jones was leuk voor de bioscoop, maar in werkelijkheid was archeologie hard werken en zelden spectaculair.
Ze liep naar de camper en opende de deur en keek even naar binnen – de koele lucht van de airco deed pijn aan haar ogen. Niemand, heerlijk.
Ze ging zitten – op het trapje, haar rug tegen de deur – en keek naar de tempelruïne. Op het eerste gezicht niet meer dan restanten van de fundering, donker afgetekend in de late middagzon, op een steenworp afstand van de oostelijke flanken van het Andes-gebergte: Lugar Nuevo – Nieuwe Plaats. Op talloze plaatsen in Latijns- en Midden-Amerika waren tempels als deze gevonden, de meeste in veel betere staat.
Ze sloot haar ogen en genoot van de warmte van de zon.
Lugar Nuevo was indrukwekkend, nauwelijks opzienbarend, vergeten en verwaarloosd.
Tot bij toeval de ondergrondse ruimten waren aangetroffen. Theresa was aan het werk in de ruimte die in de rapportages werd aangeduid als L-3_Q4_R016_UNID: derde niveau ondergronds, vierde kwadrant, zaal 016. En UNID betekende nog niet geïdentificeerd, de codering die werd gehanteerd zolang het oorspronkelijke doel van de ruimte nog niet was vastgesteld. Met andere woorden: werk voor Theresa.
UNID, my ass, dacht ze (ze wist het bijna zeker).
Op de westelijke muur van kamer R016 was een veldslag afgebeeld. De kleding en bewapening van de ruiters en soldaten te voet waren zonder twijfel van Spaanse origine. Haar eerste ingeving was El Camino – een van de belangrijkste godsdienstige centra van het machtige Incarijk – de mythische stad die omstreeks 1526 door de laatste Incaveldheer tot de grond toe was verwoest om inname door de Spaanse conquistadores te voorkomen. Spaanse expeditieverslagen beschreven de slag als een bloedbad – een van de gruwelijkste uit de geschiedenis – maar van de verwoesting zelf was nooit een spoor gevonden. En deze locatie was volgens de gangbare opvattingen eigenlijk te ver zuidelijk voor de Inca’s.
El Camino was mogelijk, maar – ze gaf het niet graag toe en tegelijkertijd genoot ze van de onopgeloste puzzel – als ze eerlijk was, was er nader onderzoek nodig voordat ze zeker kon zijn. Zo resteerde bijvoorbeeld de raadselachtige oostelijke wand in R016: tegenover de zwaarbewapende Spaanse conquistadores was niets. De oostmuur was blanco, zonder ook maar een voeg of een kras. Wat betekende dat? Pacifisme? Geweldloosheid? Een veldslag zonder tegenstander?
Ze zuchtte diep. Soms leek het alsof de raadsels en vragen exponentieel in aantal toenamen naarmate ze dieper vorderden.
Adam drukte op de knop van de intercom. ‘Ja, Alice?’
‘Uw vrouw aan de lijn, senator.’
Zijn adem stokte in zijn keel. Conny? Conny belde hem zelden en de spaarzame keren dat ze het deed, was het niet met goed nieuws. Hij overwoog – een seconde maar – of hij Alice zou durven vragen de boodschap aan te nemen. Nee, dus. Soms verdacht hij zijn secretaresse er van dat ze met zijn vrouw onder een hoedje speelde.
‘Verbind haar maar door, Alice, als je wilt, dank je.’
Ogenblikkelijk daarna, tegen de achtergrond van de ruis van haar mobiele telefoon: ‘Adam?’
‘Yes, dear?’ Hij draaide zijn stoel een halve slag en keek door het raam naar de nevelige hoofdstad met in de verte de contouren van het Washington Monument.
‘Adam, wat zeg je ervan als ik je zo kom ophalen? Dan gaan we lunchen.’
De vraag overviel hem zo dat hij de hoorn bijna uit zijn hand liet glippen. ‘Wat, dear?’
‘Ik. Kom. Jou. Ophalen. Lunch.’
‘O, ja, natuurlijk, lunch.’ Tegen beter weten in keek hij in zijn agenda alsof hij daar een geloofwaardig excuus zou kunnen vinden. Vanmorgen had hij zich nog zo verheugd op een dag zonder afspraken, misschien een dutje op de sofa in de middag, en dan een vroege borrel in de Capitol Lounge.
‘Ik… eens even kijken. Lunch. Ik zie…’
‘Alice vond het een prima idee.’
‘Alice? Oja, mmm.’ Hij staakte het bladeren.
‘Adam?’
‘Hier, dear.’
‘Zullen we zeggen halfeen? Ik pik je wel op, ik ben in de buurt.’
‘Hebben we iets te vieren?’ vroeg hij nog, maar ze had al opgehangen. Was hij iets vergeten? Hun verlovingsdag? Hij kon zich niet herinneren of ze die vorig jaar hadden gevierd.
Alice had vanmorgen een stapel documenten en rapporten binnengebracht, twee telefoonboeken dik. Iets over graan, ongetwijfeld. Want wat er ook veranderde in de senaat – hij was ruim over de helft van zijn tweede ambtstermijn – er was altijd wel iets te bespreken over graan. Of over invoerbeperkingen op varkensvlees uit Europa. Die kon hij desnoods ook gaan lezen.
Hij zuchtte. Ja dat kon. Hij kon ook een commissievergadering voorbereiden.
Plotseling voelde hij jeuk in zijn oor. Op een plek waar hij met zijn vingertop niet bij kwam, uiteraard, zelfs niet met de gemanicuurde nagel van zijn pink. Hij schoof zijn stoel naar achteren, vond uiteindelijk een potlood achterin een la en bekeek de scherpe punt.
Om de een of andere reden bekeek Jonathan Harl de videoband. Waarschijnlijk, dacht hij, om dezelfde reden dat hij bij Grant een kopie had achtergelaten: om zichzelf te pijnigen.
Het déjà vu bij het zien van de beelden was zo heftig en realistisch, dat hij werkelijk dacht LT te zien in de deuropening – met popcorn en een sixpack in zijn handen. Alsof ze weer onderuit gingen op de bank, voeten op tafel, afstandsbediening in de hand, twee vrienden – onschuldig nog – tijdens een welverdiende onderbreking van hun belangrijke werk (want ze gingen de wereld veranderen) met Monday Night Football.
‘Wij mensen hebben de neiging om waarnemingen die niet passen in ons beeld van de werkelijkheid, onmogelijk te noemen,’ sprak de rauwe stem van Peter Coyote die de voice-over van de promotiefilm had ingesproken omdat James Earl Jones (de eerste keus) te duur was.
‘Zien is geloven, zegt het spreekwoord. Er zijn dingen die we niet kunnen geloven en dus niet kunnen zien.’
De beelden waren zwart-wit, schokkerig als een 8mm-filmpje. Een vrouw in een witte doktersjas stak twee vingers op, en de geblinddoekte man op de stoel schudde gehoorzaam zijn hoofd: hij zag niets.
‘We ontkennen wat we niet begrijpen,’ sprak de stem op de band. ‘Het kán niet bestaan. En dus bestaat het niet. Het is in de letterlijke betekenis van het woord ondenkbaar.’
De geblinddoekte man had inmiddels ook een koptelefoon op. De vrouw in de witte jas sprak – tot tweemaal toe hard en vlakbij zijn oor – maar de man reageerde niet. Ze knikte tevreden in de camera, liep de kamer uit, sloot de deur achter zich en keek nog even – bijna moederlijk – door het ruitje naar de geblinddoekte man op de stoel.
‘Elk nieuw idee roept weerstand op. Nieuwe inzichten, die ons bestaande begrip van de wereld aan het wankelen kunnen brengen, worden gewantrouwd. De tegenreactie is des te heviger naarmate de consequenties groter zijn.’
Ik was dus gewaarschuwd, dacht Harl. Hij pakte de afstandsbediening en spoelde door. De vrouw en twee heuse MPs liepen als Comedy Capers door een lange gang zonder ramen of deuren naar een tweede kamertje. De vrouw nam plaats achter een metalen paneel met vier schakelaars en vier gloeilampen.
Zwart-wit beelden van een experiment met gekleurde lampen, verzuchtte Harl. De eerste keer dat hij de beelden had gezien – jarenlang classified, waarom mocht Joost weten, misschien omdat Defensie zich er zelf ook voor geneerde – hadden ze vooral op zijn lachspieren gewerkt. Hij drukte op PLAY.
‘…te bewijzen dat twee mensen buitenzintuiglijk met elkaar kunnen communiceren, mogen ze elkaar niet kunnen zien of horen. Veel van de eerste experimenten waren er dan ook vooral op gericht om te bewijzen wat de proefpersonen allemaal niet konden.’
De beelden volgden elkaar nu snel op, flitsend, alsof Defensie een MTV-videoclip avant la lettre – zij het zonder geluid – had gemaakt:
De vrouw in de doktersjas – ze had inmiddels een bril opgezet – klikte een van de lampen aan.
De lange gang.
De geblinddoekte man met de koptelefoon op zijn hoofd schreef iets op een schrijfblok.
Op het schrijfblok stond in onregelmatige letters, dwars door de lijntjes heen, het woord red.
Weer de gang.
Opnieuw lichtte een lamp op, ditmaal een andere.
De hand van de man schreef green.
En opnieuw, telkens weer: lamp – gang – kleur – gang – lamp – gang - kleur. Harl had genoeg gezien en zette de tv uit. Zo was het ooit begonnen, de fascinatie van Defensie met hun zoektocht naar het ultieme menselijke wapen: Laurel & Hardy-style. Grappig wel, hadden ze bedacht, om de Cassandra-promotiefilm te beginnen met een knipoog naar het verleden.
Als het ooit een grap was, dan was ik de clou, dacht Harl.
Hij stond op en liep naar het raam. Buiten werd het al licht. Op de verste hoek van het plein stond een eenzame rode Toyota pick-up geparkeerd. En de oude man met het brommertje – uit het zicht maar hoorbaar – was ook gearriveerd; de dagelijkse onderbreking van de serene rust op deze plek. De oude man maakte een praatje en haalde de post op, terwijl hij de motor van zijn bromfiets op hoog toerental liet doordraaien.
Just another day for you and me in paradise, dacht Harl. Hij voelde uit gewoonte aan zijn borstzak, en realiseerde zich dat hij zijn pyjama nog aanhad. Hij vond het pakje sigaretten op tafel naast zijn laptop, zijn mobiele telefoon – al twee dagen onaangeraakt – en zijn aansteker, en stak er een op.
Hij liep naar de badkamer. Leunend op de wastafel bekeek hij zichzelf in de spiegel, zijn ogen toegeknepen tegen de sigarettenrook. Baard van twee dagen. Rode ogen. Zijn tong bruin. Haar verward.
Bel Dearborn, had Grant gezegd. En vind een klant. Eén, dat is alles.
Tuurlijk, dacht Harl, alles. Alles of niets.
Eerst maar eens tanden poetsen, scheren en douchen, besliste hij. Daarna zien we wel weer.
Haar nek klapte dubbel en zij schrok wakker.
Waar?
Het eerste wat zij zag was de viespeuk, een Spaanse zakenman die haar al bij het opstijgen in Madrid had proberen te versieren. Hij sliep, zijn mond open, zijn hoofd opzij tegen het raampje.
Het boek zat tussen haar benen geklemd. Zij pakte het en keek op. De verduisterde cabine om haar heen was gevuld met het hoge geluid van de motoren van de Boeing 737. Op een scherm verderop zag zij een groenige, bibberende speelfilm. In haar hand zat een leeg flesje geklemd, en op het klaptafeltje voor haar stond een leeg plastic bekertje.
Hoe laat was het?
Geen horloge. Dat had je afgedaan, weet je nog? Zij wist het weer: afgedaan, en in een verhuisdoos geschoven. Een daad van verzet was het geweest – achteraf even impulsief als machteloos.
Zij rekte zich uit en keek om zich heen naar haar medereizigers, ongemakkelijk onder dekens in de krappe vliegtuigstoelen van Economy, en herinnerde zich het overstappen op Heathrow. Daarna Londen-Madrid. In een gloednieuwe en compleet lege transferhal op Madrid had zij een paar uur moeten overbruggen. Daarna dan eindelijk Madrid-Quito rechtstreeks.
Met de professor had zij afgesproken dat ze niet overdreven zouden gaan zwaaien als echte toeristen die al bij het afscheid in de vertrekhal op Schiphol heimwee hadden. Desondanks keek zij om, na het passeren van de veiligheidspoortjes. En hij stond er nog, op zijn tenen om haar zo lang mogelijk te kunnen volgen zo te zien, en zwaaide – met een schaapachtige grijns – in weerwil van hun afspraak. Natuurlijk zij ook (dankbaar) en nadat zij haar reistas van de band had gepakt – alleen handbagage, ‘je hebt daar niets nodig, je zit pal op de evenaar,’ had hij gezegd – keek zij weer om. Ditmaal had zij hem zien weglopen.
Ja.
Weg.
(Van haar.)
Zij kon zich niet herinneren zich ooit zo verlaten te hebben gevoeld als op dat moment. Het zou een begin moeten zijn, maar waarom voelde het dan als een einde?
De rest van de reis – zelfs tot in het vliegtuig – hield zij haar zonnebril op en het trillen van haar lip, het begin van een huilbui, leek niet te stoppen.
Bij de taxfree had zij getwijfeld maar geen sigaretten gekocht. Wel een boek voor in het vliegtuig met een stoere kaft en een stoere titel: even geen moeilijke verhalen nu. The Veteran. Zij sloeg het open. Op de eerste pagina stond
DAG 1: ZONDAG
Geen toeval.
Zij kreeg tranen in haar ogen.
Wat had zij in godsnaam gedaan? Niemand uitleg gegeven of zelfs maar gewaarschuwd, gewoon weg. De spullen de spullen gelaten – Helen, de studentenflat, Tim, haar ouders!, iedereen en alles – en met de noorderzon vertrokken.
De enormiteit van de situatie – willens en wetens gecreëerd – overviel haar.
Nee, dacht zij. Niet janken nu. Zij koppelde haar gordel los, stond op – godzijdank een stoel aan het gangpad – en liep tussen de rijen passagiers door naar het toilet.
Er had duidelijk iemand zitten roken op de wc.
In een vliegtuig?
Het verbaasde Ridder hoe jong ze was. Veertig, hooguit. B.D. Przewalski, PT Counselling stond er op de deur – Post Trauma op haar kaartje.
‘Ridder, goh, wat een interessante naam,’ was het eerste wat ze zei. Holt zou dat waarderen: iemand die Przewalski heet en dan doodserieus zegt dat Ridder een interessante naam is.
Het rook in haar spreekkamer niet naar wierook, en er stond geen sofa.
Ridder vroeg naar de sofa.
‘Had u die graag gewild?’ vroeg ze.
Misschien was het bedoeld om hem op zijn gemak te stellen, maar het was een wedervraag en geen antwoord. Therapeutenspraak, dacht hij. Aan de andere kant: haar stem viel hem mee.
‘Waarom bent u hier?’
‘Omdat er een afspraak voor me is gemaakt,’ zei hij tegen beter weten in.
‘Ja, dat klopt,’ zei ze. En, na een pauze: ‘En waarom nog meer?’
Nog even en ze zou concluderen dat hij in de ontkenningsfase zat. ‘Met alle respect voor uw werk,’ zei hij, ‘maar ik zie hier het nut niet zo van in.’
‘Waarom bent u dan gekomen?’
‘Dat zei ik al – ik ben gestuurd.’
‘Dan is de vraag waarom u zich heeft laten sturen?’
Nam ze hem in de maling?
‘Vertelt u eens iets over uw familie.’
‘Familie,’ zei Ridder. Dan ben ik snel klaar, dacht hij.
‘Vader, moeder, broers, zussen.’
In haar ogen zag hij geen enkel teken van spot. Hij zag er helemaal niets in trouwens. Een blanco staar: therapeut Przewalski had het allemaal vaker gezien en had zich waarschijnlijk heel iets anders van haar vak voorgesteld dan gesprekken met eindeloze rijen opgebrande politieagenten. Kom, dacht hij, ze doet haar werk. Een uurtje maar. Wat was het ergste dat er kon gebeuren in dat uurtje? Het hoorde er nu eenmaal bij. En dus gaf hij op de meeste vragen antwoord – ontwijkend of neutraal wanneer hij kon, maar antwoord niettemin. Of ze luisterde niet goed, of ze had medelijden met hem, maar ze liet het gaan.
En vragen had ze genoeg: Wanneer was de laatste keer dat hij trots was geweest op zichzelf? Wanneer had hij voor het laatst ruzie gemaakt? Waar en wanneer had hij dit of dat? Hoe kwam het dat hij zus of zo?
Een enkele keer stelde ze geen vraag: ‘U denkt veel over de dingen na.’
Soms maakte ze een aantekening, dan verscheen tussen haar lippen het puntje van haar tong.
Na veertig minuten keek ze op de wekker die voor haar op het lage tafeltje stond. ‘Het is bijna tijd zie ik.’
Het was al voorbij, zie je wel, was dat nou zo vreselijk? dacht Ridder.
‘Wat vindt u er van als we volgende week weer afspreken?’
Daar ging hij met zijn goeie gedrag. Hier was hij nog lang niet vanaf, als hij niet oppaste.
‘Dit is niks voor mij,’ probeerde hij.
Ze schreef door en zei zonder op te kijken: ‘Goed. Laten we duidelijk zijn. Als u niet meewerkt, houdt het op. Zo simpel is het. Ik wil u niet in moeilijkheden brengen. U kent de regels waarschijnlijk beter dan ik.’
Ridder hield niet van dreigementen, maar hij pakte zwijgend de kleine witkartonnen afsprakenkaart aan – klein maar met verdacht veel stippellijntjes – en gaf haar een hand.
Zelfde tijd volgende week.
Senator Adam Hayward keek om zich heen of iemand hem zag.
Niemand.
Kochler, die hij kort voor boarding een hand had gegeven, was nergens te bekennen.
De stewardess kwam eraan, met de trolley.
Hij bestelde water en een Diet Coke, ondanks dat het bijna borreltijd was: het was beter zijn gedachten erbij te houden. Vanavond in het hotel zou er een minibar zijn. Trots op zichzelf pakte hij het blikje van haar aan, een servetje en een zakje nootjes.
Op zijn tafeltje lag het dossier over Latijns-Amerika dat Humphries hem had gegeven. Zijn ogen scanden de tekst (er waren weinig plaatjes): Andes, hooglanden, werkende vulkanen, Orinoco, Amazone, Paraná, tropisch regenwoud, mineraalrijk.
Planten, dieren, milieu. Hij onderdrukte een gaap en onderstreepte biodiversiteit, zonder te weten waarom. Hoeft ook niet, dacht hij, want ik maak zelf uit wat ik onderstreep of niet. Hij zette een uitroepteken in de kantlijn. Schijnherten, las hij. Wat was in vredesnaam een schijnhert? Geen hert dus, hij doet alsof. Het is eigenlijk een olifant. Hij grinnikte, bladerde door en vond een lange lijst multinationals, met in miljarden dollars hun belangen in de regio. Hij herkende de namen van oliemaatschappijen, banken, staalbedrijven, chemische en farmaceutische conglomeraten. De namen en getallen dansten voor zijn ogen. Allemachtig het leek de Dow Jones Industrial wel.
Zouden ze CNN hebben in het hotel?
Zijn oog viel op een document met rechts bovenaan het CIA-logo:
Colombiaanse rebellen door IRA opgeleid
Drie leden van het Ierse Republikeinse Leger (IRA) zijn in het zuiden van Colombia gearresteerd. Ze worden ervan verdacht de linkse guerrillabeweging in dat land, de Farc, te hebben getraind in guerrillatechnieken en in het vervaardigen van explosieven en wapens. In ruil voor hun diensten, suggereren de autoriteiten in Colombia, zouden de IRA-leden door de rebellen zijn betaald met cocaïne.
Ze waren op valse papieren Colombia binnengekomen. Twee van hen zijn door de Colombianen geïdentificeerd als Martin M. en James V. Over de ware identiteit van de derde bestaat nog geen zekerheid. Het drietal is aangehouden in San Vicente del Caguan, een stadje in het door de Farc beheerste zuiden van het land. De aanwezigheid van de IRA-leden kan erop duiden dat de Farc zich voorbereidt op een guerrillacampagne in het zuiden van Colombia. Het rebellenleger, naar schatting zestienduizend man sterk, maakte tot dusver voornamelijk gebruik van weinig ontwikkelde wapens en explosieven. De gewapende strijd van de groep duurt al veertig jaar. Volgens de Colombiaanse legerleider, generaal Jorge Mora, “glijden de subversieve groepen in Colombia van dag tot dag verder af naar terrorisme.”
We fucked them, had Humphries gezegd over de geschiedenis van de relaties tussen de VS en Latijns-Amerika. Maar als dit waar was, wie fuckte wie dan eigenlijk? dacht Adam.
Hij wreef over zijn bonzende voorhoofd. Bij de volgende ronde nam hij geen water maar Scotch, een dubbele, geen ijs – de stewardess gaf hem twee flesjes – bij het diner een biertje. Bij de koffie met cognac vroeg hij twee aspirines.
En al die tijd bladerde hij heen en weer in het dossier – tot niets hem meer verbaasde. Met de portretfoto’s en biografieën van staatshoofden en de belangrijkste oppositieleiders op zijn schoot, vielen zijn ogen dicht. De bladzijden – gezichten van ernstige onbekende mannen in uniform – gleden langzaam, een voor een, van zijn schoot af.
Momo stak zijn duim omhoog naar Felipe – zijn beste vriend – en de helikopter kwam langzaam van de grond. Felipe had hem gezegd dat het niet stoer was om te wuiven: wuiven doen alleen moeders. Hoe groot het onderlinge leeftijdsverschil ook was, ze begrepen elkaar (zo hield Felipe van zijn brommertje zoals Momo van de helikopter).
De helikopter helde schuin naar voren. Met zijn handen losjes rond de stuurknuppel en zijn voeten op de pedalen, bekeek hij het instrumentenpaneel. Het was overbodig; ook zonder te kijken wist hij precies welke meter wat aangaf. In zijn helikopter was Momo volmaakt gelukkig.
Nadat de helikopter voldoende hoogte had bereikt, maakte hij een korte bocht en cirkelde eenmaal rond boven het dorpje en het schoolgebouw (waar soms, maar vandaag niet, een naakte vrouw lag te zonnen op het dak).
Met de vingers van zijn rechterhand speelde hij met het stapeltje post dat hij van Felipe had meegekregen. Hij maakte deze vlucht vaker. Een pakje heen en een pakje terug. Het kon een doos zijn, met kleren misschien of met boeken of medicijnen. Of een stapeltje brieven, zoals nu. Of, op nauwelijks tien minuten vliegen van de Colombiaanse grens, kon het natuurlijk ook iets heel anders zijn, maar dat was niet Momo’s zaak.
Hoewel ze nooit spraken over de inhoud van de pakjes die Momo heen en weer bracht, had oom Eduard hem vanaf het begin op het hart gedrukt dat hij zijn lading boven het regenwoud moest droppen bij het minste of geringste onraad. ‘Niets is belangrijker dan jouw eigen veiligheid. Niets, hoor je.’ Momo had het in zijn oren geknoopt. Hij was onder de indruk geweest van de waarschuwing van zijn oom, al wist hij niet precies waarom. En er was trouwens nog nooit iets gebeurd.
Hij schudde de gedachte van zich af. Hij wilde zijn humeur niet laten bederven, maar genieten van het vliegen. Al van jongs af aan wist Momo dat dit zijn leven zou zijn. Als kleine jongen al vertelde hij iedereen dat hij later bij de luchtmacht zou gaan, en piloot zou worden, en dat hij training zou krijgen van gepensioneerde Amerikaanse piloten. Momo ging een held worden, de grootste van allemaal.
Op school hadden ze hem uitgelachen. Iedereen had hem trouwens uitgelachen.
Iedereen, behalve Felipe. ‘Ze weten niet beter, Momo.’
Eenmaal in de lucht, lachte niemand hem meer uit. Hier kon hij alles. Hier was hij heer en meester over de wereld en was zijn grootste wens werkelijkheid geworden: hij was piloot.
Oké, alleen piloot voor pakjes en soms voor groepjes rijke Amerikanen op fotosafari boven de Amazone en het regenwoud, maar hij was het toch maar.
Zijn koptelefoon – een speciaal model met ingebouwde versterker - kraakte. Hij keek door het doorzichtige plastic van de deur naar de bergen in de verte en schatte zijn positie in. Het was nog te ver voor radiocontact, maar over een paar minuten zou hij zich melden.
Met zijn rechterhand voelde hij het stapeltje post. Alles verliep gladjes.
Niet het minste of geringste onraad.
Geen enkel vuiltje aan de lucht.
Hij neuriede een deuntje.
Theresa werd wakker – door het geluid van een startende auto – met een knallende hoofdpijn.
Half acht. Ze schoot een lange broek en een sweater aan en ritste de tent open. Frisse lucht op haar gezicht. Ze rilde en keerde zich om, vond een paar dikke sokken en haar slippers en liep naar buiten.
Het basiskamp om haar heen verkeerde nog in diepe rust.
Normans Landrover ontbrak op de parkeerplaats. Op de deur van de voorste camper was met plakband een vel papier bevestigd:
VANDAAG WEGENS OMSTANDIGHEDEN GEEN WERKZAAMHEDEN
NORMAN SNYDER, SITE-MANAGER
Wegens omstandigheden, tja, zo kon je het ook noemen natuurlijk, dacht ze.
Een uur later – ontbeten en gedoucht – zat ze voor haar tent in de ochtendzon. Om haar heen ontwaakte het basiskamp. Het nieuws van de onverwachte vrije dag ging als een lopend vuurtje.
Theresa las – een vaktijdschrift, het julinummer, dus hoog tijd – dat wil zeggen ze deed alsof. Ze had moeite haar aandacht erbij te houden. Om negen uur vond ze het mooi geweest en liep ze naar de tenten van de studentes, benieuwd hoe het met ze ging na gisteren.
Van het avontuur waarin Claudia, Amy en Francesca ongewild de hoofdrol hadden gespeeld, hadden ze zich gisteravond al niets meer kunnen herinneren, behalve dan dat het leek of ze vreemd hadden gedroomd. Op de vraag van de anderen ‘Waarover dan?’ was het antwoord een glimlach geweest – zonder verdere uitleg, zelfs niet na lang aandringen. Een vredige, alwetende glimlach, dacht Theresa.
Van de eerste tent was de rits open, maar binnen was het nog stil. Theresa hoorde stemmen in de tweede tent, dus ze stak haar hoofd om de hoek. Claudia in haar ondergoed, Barbara nog in haar slaapzak, leunend op een elleboog. Het gesprek stokte.
‘Goedemorgen, dames.’
‘Goedemorgen, Dr. Hastings,’ zei Claudia opgewekt.
‘Stoor ik?’
De studentes keken elkaar aan.
‘Nee. Natuurlijk niet,’ zei Claudia. ‘We hadden het er over wat we zouden gaan doen vandaag.’
‘Vrije dag. Heeft u dat geregeld?’ vroeg Barbara, haar stem nog krakerig, net wakker.
‘Nee, daarvoor moet je bij Dr. Snyder zijn. Hoe is het met je, Claudia?’
‘Prima, ik heb heerlijk geslapen, ik voel me echt geweldig.’
‘Nog duizelig geweest? Misselijk? Gedroomd?’
‘Niet dat ik me kan herinneren.’
‘Je was anders knap luidruchtig,’ zei Barbara.
‘Moi?’
‘Toi, ja. Toi lag te praten en te mompelen in je slaap. Hele verhalen. Moi werd er gek van.’
‘Wat zei ik dan?’
‘Ja, weet ik dat? Ik dacht eerst dat je het tegen mij had. Maar je sliep. Hele gesprekken. Ik verstond er geen woord van.’
‘Oké,’ zei Claudia, zich duidelijk van geen kwaad bewust en ook niet van plan zich er druk over te maken.
‘Doe rustig aan, vandaag,’ zei Theresa.
De derde tent was leeg. In de vierde zat Francesca – al aangekleed, haren in een handdoek – op bed met een schrijfblok, kauwend op een pen, zo te zien diep in gedachten. Toen ze Theresa zag, lachte ze breed.
‘Goedemorgen, Dr. Hastings.’
‘Goedemorgen. Al aan het werk?’
Ze schudde haar hoofd. ‘Brief aan mijn broer. Ik heb beloofd hem elke maand te schrijven. Hij is mijn grote broer, you know, dus hij denkt dat hij voor me moet zorgen.’ Ze draaide met haar ogen.
‘Wat studeert hij?’
‘Penn State. Natuurkunde? Wiskunde? Iets ingewikkelds met cijfers in ieder geval.’
‘Hoe heb je geslapen?’
‘Heerlijk.’
‘Nog gedroomd?’
Francesca dacht even na. ‘Nee.’ Niets aan de hand, zo klonk het.
‘Al plannen voor vandaag?’
‘Euh, nee.’
‘Misschien…’ Theresa kreeg een ingeving. Ze realiseerde zich dat ze een risico nam, maar het was het proberen waard. ‘Luister, ik weet dat het een vrije dag is, maar ik ben later vandaag van plan om nog wat werk te doen in…’ Ze had in de doodlopende gang willen zeggen, maar slikte het in. Dat kon later. ‘Ik zou je hulp wel kunnen gebruiken. Wat denk je, heb je daar zin in?’
De helikopter weer, dacht zij.
Maar dit was geen helikopter. Het geluid kwam langzaam naderbij. Het klonk als een zware motor, een vrachtwagen, of een bulldozer.
Op de eerstvolgende kruising in het pad wachtte zij. Een legergroene vrachtwagen kwam langzaam aanrijden over het oneffen zandspoor door het bos. Takken en bladeren zwiepten tegen de cabine. Enorme terreinbanden ploegden door het zand en de motor loeide.
Aan haar kant, naast de bestuurder, zat een jonge vrouw. Ze leunde door het open zijraam, haar hoofd op haar gekruiste armen. Ze droeg een zwarte baret, en kauwde op een grasspriet. Ze keken elkaar aan – een vreemd moment – en toen was de cabine gepasseerd.
Achterin de laadback zaten jongens en meisjes, kinderen nog. Sommigen stonden, met hand aan het dak, schrap tegen het wilde geschud van de truck, en zij zag geweren over hun schouders en pistolen en handgranaten aan hun riem. Vermoeid, berustend. Achteloos.
Zij keek de vrachtwagen na – ernstige kinderen met wapens. Waar kwamen ze vandaan? Waar gingen ze heen? Eerder was zij op deze kruising geweest, maar nooit eerder waren er dergelijke bandensporen geweest.
Militairen? In een vrachtwagen zonder merktekens of insignes?
Een grenspatrouille? Het was tenslotte vlak bij de grens.
Kinderen, maar toch zwaarbewapend.
Zij nam zich voor het straks aan Jay te vragen.
Waarschijnlijk iets onschuldigs (zoals die oude man op het lawaaiige brommertje gewoon de postbode bleek te zijn).
Wat was dat toch met die geluiden hier?
De ontvangst op het kantoor van de voorzitter van de Cámara de Commercio y Fábricas in Quito was gastvrij en gereserveerd, vond Harl. Na een inleidend rondje koffie met zoet gebak, werd de deur gesloten en kwamen de papieren op tafel.
Kort voor het afgesproken tijdstip hadden ze elkaar in de hal van het gebouw ontmoet. Kochler deed, zo had hij geruststellend gezegd, al zijn hele leven lang zaken met these people. ‘Routine,’ knipoogde hij.
‘Het is een kwestie van balans,’ vond Jane, zijn assistent. ‘Alle partijen willen tenslotte lange termijn zekerheid.’ Kochler bromde instemmend en vertrouwde haar blijkbaar blindelings. ‘Geen zorgen maken – pas als ze naar Engels overschakelt, doen wij of we het weer begrijpen,’ had Kochler gezegd. Zijn gestalte was ronduit imposant – zijn handen gespreid en plat op het tafelblad – maar Jane, zijn assistente, deed het werk.
Harl deed wat hem was opgedragen, dronk beleefd koffie, proefde taartjes en maakte zich geen zorgen – in ieder geval niet over vergunningen die sinds Londen volledig overbodig waren geworden. En er werd gerookt! Goddank was de antirookparanoia in de VS en Europa nog niet naar hier overgewaaid.
De lokale bestuurders op hun beurt luisterden beleefd en stoïcijns naar wat Jane te vertellen had – in vloeiend Spaans, uiteraard. Na ongeveer drie kwartier kwam het afgesproken signaal; Kochler boog zich nadrukkelijk in Harls richting. Achter zijn hand – maar hoorbaar voor alle aanwezigen – zei hij: ‘De heren vragen zich af hoe wij aankijken tegen de godsdienstige betekenis. Tussen aanhalingstekens.’ Weer de knipoog. ‘Hun woorden, je weet wel.’ Vervolgens schraapte hij zijn keel en zei hardop: ‘Gentlemen, het verheugt mij te kunnen vaststellen dat de grote verdiensten en de uitstekende reputatie van los Estados Unidos in het algemeen en die van PharmAzone in het bijzonder, niet alleen hier in Ecuador maar in het hele Amazonegebied, niet ter discussie staan. Bij ons aanwezig is vandaag señor Jonathan Harl, u welbekend, een man van de wetenschap met een onkreukbare reputatie.’ Weer volgde een knipoog. ‘Een man van morele waarden, een man van waarheid, respect en integriteit als het gaat om het behoud van het nationale en religieuze erfgoed van uw land. Uw prachtige land.’
Hierna keek hij op zijn horloge en stond op: einde meeting.
Buiten liep Harl met Kochler en de alweer druk telefonerende Jane naar hun limo met chauffeur.
‘Ik heb ze weer verdiend voor vandaag,’ zei Kochler, terwijl hij zijn broek aan de riem ophees.
‘Op dagen als deze hou ik van ze. Je zou soms willen dat zaken in Washington net zo makkelijk te regelen waren. Aan de andere kant, je weet het nooit. Ik zeg altijd maar dat het pas getekend is, als het getekend is. En niet eerder. Voor die tijd betekent si niets. Wist je dat er in het Japans, in het Kanji, veertien – ik maak geen grap: veertien! – verschillende betekenissen zijn voor het woord ja. En een van die betekenissen is nee. Precies het tegenovergestelde.’
Wu Li, dacht Harl.
Aan de overkant van de straat stapten twee leden van de plaatselijke delegatie in een opzichtige rode pick-up. ‘Kijk, precies wat ik bedoel,’ zei Kochler, en hij wees met zijn onderlip en kin in hun richting. ‘Politici of sloebers of allebei, zeg jij het maar. Je weet het nooit.’
De zon scheen door de tentopening naar binnen.
Normaal gesproken zou hij geïrriteerd zijn door zijn eigen slordigheid – maar deze ochtend niet. Deze ochtend dacht Norman Snyder: Wat heerlijk, ik heb de tent open gelaten gisteravond, lekker fris!
Nou ja gisteravond – zeg maar vanochtend.
Geheel tegen zijn gewoonte in dacht hij terug aan het warme lichaam van Maria – jong en zacht en vol en… En hij zag haar lippen, vuurrood van de lippenstift die hij voor haar had meegebracht. En haar lippen…
Zijn penis gaf een schokje.
De afgelopen nacht had hij zijn mannelijke plichten geheel naar behoren verricht! En naar volle tevredenheid van alle betrokkenen, al zei hij het zelf.
’Come back soon, yes?’ had Maria in zijn oor gefluisterd in de hal van het hotel, na afloop van het heerlijke uur met hem. En ze had hem gekust, met haar rode, opnieuw gestifte lippen. Op zijn wang, dankbaar en voldaan.
Norman voelde zich op en top de man die hij vannacht had bewezen te zijn: een echte, volledig! Hard en stotend en snel. En hij was beloond met bewondering – en genot! – in de ogen van Maria.
Hoog tijd trouwens, vond hij. Het was lang geleden – eigenlijk te lang.
Maar vanaf vandaag zou alles anders zijn. Weg met die schaamte!
Was het de video geweest? Harls reactie? Of de drank? Hij probeerde zich te herinneren hoeveel hij gedronken had voor hij haar tafeltje – in de verste hoek van de bar, waar ze wachtte met haar vriendinnen (of eigenlijk collega’s, dacht Norman, maar dat klonk minder opwindend) – had durven benaderen. Ze dronk cola en rookte sigaretten die ze als een beginner vasthield.
‘You lonely, yes?’ had ze gevraagd. ‘You buy me drink, nice mister?’
Norman strekte zich behaaglijk uit, sloot zijn ogen en genoot van de herinnering – ze liep weer voor hem uit de trap op en haar rokje was zo kort dat hij… Hij schoof zijn hand in zijn onderbroek en pakte zijn penis. Tevreden voelde hij de beginnende erectie, en masseerde zachtjes de voorhuid heen en weer.
‘Norman?’
Zijn hand bevroor. Hij hield zijn adem in en zijn ogen stijf gesloten. Dat was de stem van Tess! En de tent stond open!
Ogenblikkelijk verschrompelde zijn piemeltje. Verdraaid.
Zo bleef hij liggen – doodstil, in de hoop dat ze weg zou gaan.
Hij zuchtte zo zachtjes mogelijk.
Klaarwakker inmiddels.
Wat hij ook probeerde, het lukte Norman niet om terug te keren naar Maria. Hij probeerde zich uit alle macht haar glimmende volle zachte tieten voor te stellen, maar telkens verscheen Tess om de hoek van zijn fantasie. Ze maakte notities en vroeg naar de uitslag.
En hij mocht van Tess ook geen tieten zeggen, maar moest het veranderen in borsten.
Some fantasy.
Hij woelde nog een kwartiertje in bed.
Zondag, zijn uitslaapdag nog wel.
Hij stond op met een kreun, liep naar zijn bureau in de voortent en viste zijn sokken uit de hoop kleren op de stoel. Hij rook er even aan – kon nog wel een dagje. Automatisch keek hij in zijn agenda. Komende week de tussentijdse evaluaties met de studentes, zag hij. Drie maanden alweer. Woensdag twee gesprekken – om te beginnen met Barbara, en met haar had hij nog wel iets goed te maken na die overval gisteren – donderdag twee, vrijdag de drie laatste.
Zucht.
Er was nu eenmaal geen rust voor de sitemanagers van deze wereld.
Ze zaten bij De Neef Van Fred’s Broodjes, op hun plek achter het raam, en bekeken de menukaart terwijl ze altijd hetzelfde bestelden: Ridder een halfom en een warm vlees; Holt een tartaar met ui en een hamburger speciaal. Witte broodjes, boter, en allebei een glas melk.
‘Bij de psychopaat geweest?’ vroeg Holt.
‘Ja,’ zei Ridder.
‘En?’
‘Geen sofa.’
‘Mooi, nu we dat achter de rug hebben kunnen we bestellen.’
Holt draaide zich om en wenkte Fred – die trouwens helemaal geen Fred heette en ook niet zijn neef was, maar de broodjeszaak met naam en al had overgenomen. Het was zo’n gedoe, lichtreclame en drukwerk enzo.
‘Het is niet druk vandaag, Fred,’ zei Holt.
‘Zo is het nou altijd als jullie hier zitten. Je zou je bijna afvragen of er misschien een patroon in zit.’
‘Patroon,’ zei Holt. ‘Nieuwe woorden geleerd, Fred?’
Ridder dacht na over wat Przewalski had gezegd: dat hij teveel nadacht. Wat was er nou eigenlijk mis met veel nadenken?
Buiten passeerde een rode Alfa.
‘Rode Alfa,’ zei Holt, ‘altijd prijs.’
Op saaie dagen, om de tijd te doden, deden surveillanten onderling potjes wie de meeste bekeuringen kon uitschrijven in een halfuur. Het liefst een dikke SUV aanhouden, een opgefokte zakenman achter het stuur, aan de telefoon zonder carkit, en geen gordel. Of een rode Alfa – negen van de tien keer prijs: koplamp of een richtingaanwijzer stuk, geen profiel op de banden, ruitenwisserbladen versleten, geen papieren.
De broodjes kwamen. Ze aten zwijgend, zoals altijd – eten was een serieuze zaak. Het was, dacht Ridder, verleidelijk te geloven dat alles hetzelfde zou blijven, wanneer je het maar graag genoeg wilde.
‘Gisteren nog televisie gekeken?’ Holt veegde zijn mond af met een servetje en bekeek het resultaat.
‘Nee,’ loog Ridder.
‘Nieuwe Amerikaanse politieserie,’ zei Holt. ‘Zo’n extreem chaotisch politiebureau, waar de telefoon steeds gaat. Liepen er weer een stel met grote pistolen te achtervolgen. Met van die kogelvrije vesten aan. Een groentje dat alles verkeerd doet en een oude rot die hem steeds uit de brand moet helpen.’
‘Dat van dat groentje klopt wel,’ flapte Ridder eruit. Hij had er ogenblikkelijk spijt van.
‘Ik kan nu eenmaal niet wat jij kan.’
‘Nee,’ zei Ridder. Neem je je plant eigenlijk mee? had hij nog kunnen vragen – de plant die hij Holt voor zijn verjaardag had gegeven, die nog steeds op de archiefkast op het bureau stond en die Ridder elke week water moest geven.
Fred kwam aangelopen, een beetje bedremmeld, onzeker door de stilte tijdens het afruimen – meestal had Holt wel iets paraat, maar vandaag niet.
‘Weet je wat ik het meeste zal missen?’ zei Holt. Ze hadden afgerekend – de mosterd was voor zijn rekening, had Fred nog geprobeerd – en stonden buiten, op de stoep.
‘Nou?’
‘Dit.’
En dat was het laatste wat ze erover zeiden. Niet meer en niet minder.
Zij lag te draaien in bed – wat een dag! – en dacht aan thuis.
En de ansichtkaart die Jay haar had gegeven – voor als het tijd was.
Miste zij thuis?
Thuis? Alleen het woord al klonk niet goed.
Het huis van haar ouders, dat was beter. Thuis was het al lang niet meer; het huis waar zij was geboren en was opgegroeid.
Zij zag het huis (toen) en het grindpad, de voordeur, de hal, de gang, de keuken, de achterkamer. Het eerste wat zij herkende was vreemd genoeg de vloerbedekking. De trap op, langs de foto’s. Op de overloop langs de gesloten deur van haar vaders werkkamer. Dan links haar slaapkamer. De sprei op het bed, de gordijnen dicht. Het huis stil en donker. Barbies voor het raam. Regen tikte tegen het raam. Zij lag in bed (toen en nu) en draaide haar hoofdkussen om (daar en hier). Koel op haar wang. Parfum. Wasmiddel. En sigarettenrook, dacht zij. En met die gedachte was zij terug op het dak in de zon.
Wat een verschil: hier vergeleken met mijn vorige leven, dacht zij.
Mijn vorige leven? Mijn leven van vorige week!
Miste zij haar ouders? Het antwoord kwam luid en duidelijk. Nee.
‘Maar dat kun je toch niet zeggen?’ hoorde zij een bekende stem in haar hoofd. ‘Het zijn en blijven toch je ouders.’
Van wie was die stem?
Een tante? Een buurvrouw? Tijdens een verjaardagsfeestje? Zij was zeven of acht, hoorde eigenlijk al in bed te liggen, maar als zij heel stil was, dan werd zij misschien vergeten en mocht zij laat opblijven. Zij zat zo zoet en zo klein mogelijk in de kring – de vrouwen rond de lage tafel, de mannen rond de hoge – en luisterde naar de stem. De stem vertelde van een moeder die een kind was verloren. ‘Het ergste wat je als moeder kan overkomen,’ zei de stem. ‘Maar dat kun je alleen begrijpen als je zelf moeder bent.’ En zij zat op de stoel, zo stil en klein mogelijk, in haar nachtjapon.
Na al die jaren was het beeld (het geluid) plotseling haarscherp. Zij schudde haar hoofd en het beeld verdween. Was dat alles? Er moest meer zijn. Wat?
Nu zag zij zichzelf onderuitgezakt op de bank; weggedoken achter een boek, of zappend met haar vinger op de + knop van de afstandsbediening. Met een hoofdtelefoon op, luisterend naar een oude langspeelplaat van haar vader. Een nummer van Steely Dan: Any world that I’m welcome to, is better than the one I come from.
(Hier en nu) draaide zij zich opnieuw om, en greep het hoofdkussen met beide armen.
Zij was kind en geen moeder.
En dus mocht zij zeggen: ik mis mijn ouders niet.
Ik mis ze niet en ik zal ze nooit missen.
Was dat niet vreselijk?
Het werd hoog tijd dat hij weer eens wat aan het huis deed.
Om te beginnen met die bouwval van een trap naar het dak van het oude schoolgebouw.
Harl pakte de zijkant en gaf een sjor.
Het plan, de beslissing van Londen, de site, Snyder, Hastings en de vier cirkels van Fingo Lund, de doodlopende gang, Grant en Dearborn en LT – hij had genoeg van zijn gepieker zonder einde en zonder resultaat. Misschien dat lichamelijk inspanning zijn gedachten beter in balans zou brengen.
Bij de derde sjor kwam er beweging in: een centimeter, dan twee, vijf. Een luide kraak. Harl zette zich schrap. Als hij iets meer kracht zette, moest het lukken. Haar hoofd verscheen boven hem in de opening van het dakraam, de handdoek zedig voor zich.
‘Nee toch?’ zei zij.
‘Het gaat gebeuren,’ zei Harl.
‘Ben ik wel veilig, hier boven?’
‘Een beetje vertrouwen.’
Hij bukte zich en trok opnieuw aan de trap, ditmaal aan de onderste trede. Met een akelig iele piep kwamen de roestige spijkers omhoog uit de vloer. Hij sjorde en duwde, en uiteindelijk kwam de trap los van de vloer. Zwaarder dan hij dacht. Hij trok, en met een oorverdovende knal stortte het gevaarte in elkaar.
Zij riep iets dat hij niet verstond.
Hij deed een stap naar achteren, en bekeek de merkwaardig lege gang. Stofdeeltjes dwarrelden in het zonlicht.
Hij stak een sigaret op.
Wat nu?
Meten. Want meten is weten. Eens zien wat hij nog van Pythagoras terecht bracht.
Daarna de nieuwe planken op maat zagen.
Hij zocht zijn duimstok en vond de rolmaat precies op het moment dat haar gezicht weer in het dakraam verscheen.
‘Je komt als geroepen,’ zei hij.
Met een sprongetje gaf hij haar het uiteinde van het meetlint.
***
Het was een ravage.
Zij hield het lint vast, en keek toe. Jay knikte, keurde, struikelde heen en weer tussen het sloophout, en mompelde afmetingen.
Op zijn knokkels en onderarm zag zij schaafwonden.
Hij was al bijna de hele ochtend bezig maar van de nieuwe trap was nog niets te bekennen.
Doe-het-zelven volgens Jonathan Harl de wereldberoemde psycholoog: als Rembrandt, die een plafonnetje saust.
Toeval of niet, de ober had de zwerver in de telefooncel aan de overkant nog maar nauwelijks ontdekt – de man was te vies om aan te pakken en had blijkbaar vlak voor hij instortte iemand willen bellen, want hij had de hoorn nog in zijn hand – of er stopte een bestelwagen van de storingsdienst van de telefoonmaatschappij langs de stoeprand.
De ober – die juist van plan was geweest zijn baas over de zwerver te gaan vertellen – leunde op zijn bezem en keek nieuwsgierig toe.
Een monteur stapte uit.
Hij liep naar de telefooncel, negeerde de zwerver en zag dat de hoorn van de haak was. Met een zakdoek voor zijn neus en mond boog hij zich de telefooncel in. Na enig wrikken bevrijdde de monteur de hoorn uit de greep van de zwerver. Hij veegde het mondstuk schoon aan zijn overall en hing de hoorn op de haak. Hij deed een stap achteruit, knikte tevreden, stapte weer in zijn bestelwagentje en reed weg.
Hoofdschuddend maar glimlachend keek de ober de bestelwagen na. Nu zat hij weer met de gebakken peren, maar hij kon boerenslimheid wel waarderen.
De restauranthouder hoorde het verhaal aan, snauwde naar de ober – die het blijkbaar erg komisch vond allemaal – en gaf hem opdracht het op te lossen. Voor de zekerheid liep hij achter hem aan – hij kende de ober langer dan vandaag – het terras op. Het zal toch verdomme niet waar zijn, dacht hij: afgelopen week was het centrum schoongeveegd (vanwege hoog bezoek uit Amerika, want je dacht toch zeker niet dat de gemeente een vinger zou uitsteken voor de middenstand) en daar begon het alweer.
Ondanks een krachtige laatste por, bleef de zwerver roerloos.
De ober keerde onverrichter zake terug en bracht verslag uit aan zijn baas. Ditmaal keek hij er zo ernstig mogelijk bij.
Helen dit, Helen dat.
Ze zaten in de kroeg – in de kroeg samen, dat was een tijd geleden.
Ridder luisterde half, en las de ontslagbrief die Holt een week geleden al had gepost, laatste dag van de maand en zo, in verband met de opzegtermijn.
Dus het was definitief.
Holt had Helen gebeld, meteen gisteren al. Blijkbaar. En ze hadden afgesproken. Het klikte meteen. Ze was het gewoon he-le-maal. Wat ze allemaal al niet hadden gedaan samen. Vandaag naar het strand geweest, heerlijk uitgewaaid. Na afloop in een leuk tentje aan zee geluncht met zalm en witte wijn. Alles klopte gewoon. Alsof ze elkaar al jaren kenden. Járen.
Wat doe je dan nog hier, met mij? dacht Ridder.
En hier was dan de brief. Hij was net binnen, zat nauwelijks, koud achter zijn eerste biertje, of de brief lag op tafel.
‘Een kopie,’ zei Holt. ‘Van de brief’.
En terwijl Ridder las, vertelde Holt over Helen. Dat hij zo zichzelf kon zijn bij haar. En dat ze hem vragen stelde, waar hij geen antwoord op wist. En dat ze geen genoegen nam met zijn grappige uitvluchten of met een vaag antwoord. Dat ze er zo doorheen prikte. En hoe heerlijk dat was, dat hij dat altijd zo gemist had.
Ridder wilde het niet over geweldige Helen hebben – Holts verhalen irriteerden hem mateloos. Vragen stellen waarop Holt geen antwoord wist, alsof dat een bijzondere prestatie was.
Het was niet helemaal eerlijk, wist Ridder: Holt had de beslissing ermee te kappen al voor Helen genomen. Hij keek naar de brief in zijn hand, tien regels meer niet, een bijna kinderlijke handtekening onderaan. Het was alsof het niets met hem te maken had.
‘Heb je al iets gehoord?’ vroeg Ridder. Hij vouwde de brief op en legde hem neer – tussen hen in, daar lag-ie – en opzij.
Holt pulkte aan een bierviltje, een verliefde glimlach om zijn lippen, en haalde zijn schouders op. ‘Nee.’
Ridder had geen idee wat de procedure was. Zou er niet een gesprek moeten komen met iemand? Van personeelszaken? Moest er niet iemand een poging wagen om Holt te behouden? Acht dienstjaren tenslotte was toch niet niks.
‘Jij nog eentje?’ vroeg Holt. Hij stond op en liep naar de bar.
Ridder had hem willen vertellen van zijn telefoongesprek met Tim, haar vriendje. En dat Holt (die meteen had voorspeld dat het een fout vriendje zou zijn) vijf euro van hem tegoed had. ‘U moet uw gevoelens de ruimte geven,’ zou Przewalski nu zeggen. Zoiets in elk geval. ‘Als u alles blijft inslikken, meneer Ridder, dan zult u ontploffen.’
Rechercheur Ridder, zou hij haar corrigeren.
En dan zou ze de vraag weer stellen waarop hij al die keren al verontwaardigd op had geantwoord – ze bleef de vraag maar herhalen, elke afspraak weer, telkens nadrukkelijker (en hij vermoedde dat zijn reactie steeds verontwaardigder werd): ‘Voelt u zich verraden?’
Zij zat op het terras op het drukste plein van de stad.
Jay had haar hier een halfuur geleden afgezet, en beloofd haar met een uurtje of twee weer op te komen halen. Om haar heen toeristen, slenterend, op zoek naar een tafeltje, tassen en camera’s angstvallig tegen de borst geklemd, studerend op plattegronden.
Hij was vanmorgen vroeg al vertrokken. Vreemd, had zij gedacht, we zouden vandaag toch boodschappen gaan doen? Zij had zich afgevraagd of het iets te maken had met het telefoontje van gisteravond (Fuck! – zij had Jay nog nooit zo keihard horen vloeken). Een klein uur later was hij terug om haar op te halen.
Op de achterbank lag een tas.
‘Uit logeren?’
‘Nee’, zei Jay. Doodserieus.
Op de passagiersstoel lagen twee plastic buisjes met blauw poeder – medicijnen, aan de etiketten te zien. Jay legde ze in het handschoenenvakje.
Tijdens de autorit naar de stad had Jay gezwegen. En gerookt. En op zijn nagels gebeten. Diep in gedachten. Geen goed nieuws dus, gisteravond.
Morgen was zij precies twee weken hier. Wat een verschil.
En wat een overeenkomsten: weer een terras, weer een smerige stad waar zelfs op zaterdag iedereen haast leek te hebben. Personenwagens, vrachtwagens, stinkende autobussen en oude taxi’s reden af en aan. Iedereen toeterde naar iedereen. Er klonk onophoudelijk geschreeuw en gescheld.
Nadat Jay haar had afgezet, liep zij een blokje om. Achter de façade van de vrolijke terrasjes en restaurantjes op het drukke plein voor de kathedraal, lagen binnenplaatsen vol opengescheurde, uitpuilende vuilniszakken. Overal hing de doordringende geur van verrotting en pis. Op een balkon boven de binnenplaats stond een dikke man, slechts gekleed in een rafelige onderbroek, wijdbeens. Hij wreef met beide handen over zijn enorme buik en loerde naar haar.
Met de stroom mee was zij de kathedraal binnengewandeld. Links van de ingang was een kapel, afgesloten met een groot ijzeren hek. In een glazen vitrine onder een kruisbeeld lag een etalagepop met pruik – geschminkt als Jezus – met rode verf op zijn handen en voeten en in zijn zij. Op de vitrine stond een afbeelding van Maria met in haar handen iets dat de lijkwade moest voorstellen – het deed haar denken aan een kruising tussen het huilende zigeunerinnetje en een reclame voor wasmiddelen. Zij had zich ontzet omgedraaid.
Een familie in het zwart liep plechtig langs. Ze droegen een enorme rouwkrans, hun ogen strak gericht op het altaar. Het leek alsof ze in een vacuüm voortbewogen – om hen heen niet de kathedraal, niet de stad, maar een onzichtbare, ondoordringbare, mobiele wand van verdriet.
Haar mineraalwater – geen cappuccino ditmaal – nog nauwelijks geproefd, bukte zij zich abrupt om de veters van haar All Stars goed te doen, en stond op. Zij liep tussen de tafeltjes door, stak over, en liep naar het midden van het plein. Op een bankje – onder het standbeeld, recht tegenover de ingang van de kathedraal – wachtte zij tot Jay weer zou verschijnen.
Aan de andere kant van het standbeeld keek een oudere man in korte broek door de lens van zijn camera. Hij schuifelde – steeds met een paar kleine pasjes van zijn sandalen – achteruit om zijn vrouw, het standbeeld en de ingang van de kathedraal in een keer op de foto te krijgen.
‘Pas op, meneer,’ fluisterde zij.
De oude man in de korte broek met de camera stond stil – een stap meer en hij had zijn achterhoofd tegen de telefooncel gestoten – en keek verbaasd omhoog.
Op de vloer in de badkamer leegde Henry Samuels de inhoud van zijn reiskoffer.
Hij deed de eerste was in de machine. De koffer zette hij op de overloop, klaar om weer in te pakken voor zijn vlucht naar Praag.
Achter zijn bureau probeerde hij opnieuw het nummer van zijn broer – geen gehoor en Henry had een hekel aan voicemail – en bladerde door de documenten die zijn assistente Jer hem had gestuurd: zijn reisschema, hotel- en vluchtgegevens, een uitnodiging voor de welkomstreceptie Welcome to the Annual International Labour Organization Conference en een overzicht van de overige inleiders – hij herkende de meeste namen.
In het voorlopige programma vond hij zijn naam, zijn functie – die hij nogal overdreven vond en het liefst niet vermeld zag – en de titel van zijn bijdrage, de keynote op dag 2:
OPKOMST EN ONDERGANG VAN DE VAKBEWEGING IN DE 21E EEUW?
door DR HENRY SAMUELS – SENIOR ILO PROGRAM DIRECTOR
“DE SPEER EN HET SCHILD”
Hij had geen idee wat hij er destijds mee had bedoeld – organisatoren vroegen steeds eerder om informatie, alsof de conferentielogistiek belangrijker was dan de -inhoud – en het maakte hem ook eigenlijk niet uit. Het was vaag genoeg om er welke draai dan ook aan te geven, en prikkelend genoeg om publiek te trekken ondanks het feit dat de opening van dag 2 van elke conferentie traditioneel gezien werd als uitslaapochtend na the night before. In zijn gedachten ontstond een idee voor zijn inleiding. Hij gaapte en keek op zijn horloge en berekende opnieuw hoelang hij nu op was met dank aan die belachelijke omweg vanuit Singapore courtesy of British Airways.
Hij liep naar beneden, schonk zichzelf een nieuwe borrel in, zag de FedEx envelop op de bank in de woonkamer, en belde opnieuw vergeefs Thomas. Met zijn glas in zijn hand liep hij terug naar zijn werkkamer, en controleerde in het voorbijgaan de wasmachine. Waar kon zijn broer uithangen op een zondagmiddag?
Hij ging aan zijn bureau zitten, en realiseerde zich dat hij geen idee had.
En nu we toch – de invloed van de jetlag waarschijnlijk – zo goed bezig zijn met het stellen van de belangrijke vragen des levens: Wat deden Reese en hij normaal gesproken op een zondag? Of wat dacht hij van deze, nog beter: Wanneer was de laatste keer dat ze samen – niet alleen allebei thuis en bezig met hun eigen dingen, maar samen – een zondag hadden doorgebracht? Hij wist het niet. Wat deden normale mensen op zondagmiddag? Naar een wedstrijd? Een museum? Naar de film? Uit eten? Wanneer was trouwens überhaupt de laatste keer dat Reese en hij elkaar hadden gesproken? Hij kon zich vaag herinneren dat ze ruzie hadden gehad, maar waarover? Hadden ze het goedgemaakt?
Het piepje van de wasmachine onderbrak zijn sombere gedachten. Saved by the beep. Hij zuchtte diep en stond op.
Uiteindelijk om kwart voor tien ’s avonds had hij Thomas te pakken. Henry zat aan zijn bureau in zijn werkkamer en had net de laatste hand gelegd aan zijn presentatie, redelijk tevreden over het resultaat. Hij had de hoop zijn broer – die klonk alsof hij net was opgestaan – te bereiken eigenlijk al opgegeven.
Na een onwennig begin – nee, hij had de wedstrijd niet gezien, maar sinds wanneer was Henry in sport geïnteresseerd? – en twee pijnlijke stiltes beet Henry door de zure appel heen. ‘Ben je alleen?’ vroeg hij.
‘Nee, hoezo?’
‘Ik kreeg een brief met een soort poeder, van Reese uit Ecuador en ze vroeg of ik dat wilde laten analyseren in het lab. Dus ik dacht… Ik was eigenlijk op zoek naar…’ Het was nogal gênant, maar na al die tijd wist hij nog steeds niet zeker hoe de verloofde van zijn broer heette – ook Reese had in haar brief het noemen van de naam weten te omzeilen.
‘Moment,’ zei Thomas. Henry hoorde hem roepen. Kika? Kiki? Kaki? Zoiets in elk geval.
‘Henry?’ Haar stem. Hij zag haar gezicht voor zich maar geen naam. Verdorie. Hij legde uit van het buisje blauw poeder van Reese. Nee, ze vond het geen probleem. Overdag kon niet, maar morgenavond, was dat goed? Pas toen hij had opgehangen realiseerde Henry zich dat hij helemaal was vergeten Thomas naar zijn nieuwe baan te vragen.
Dat kwam door de jetlag, zou hij nu graag willen geloven, en niet uit desinteresse.
Het was in elk geval tijd om te gaan slapen – het gapen van Thomas werkte aanstekelijk. Hij zou de looptelefoon op het nachtkastje zetten. Reese zou kunnen bellen.
De kans was klein, maar je wist nooit.
Jonathan Harl zat in de bar van het Washington Hilton en dronk bier.
De barman had hem er nootjes en olijven bij gegeven.
Een pianist verderop in de lobby deed zijn best.
Stormy weather, herkende hij.
Hij was naar zijn kamer gegaan en had zich omgekleed - zijn kostuum uit, alsof hij zich op die manier zou kunnen ontdoen van de bittere nasmaak die hij had overgehouden aan zijn ontmoeting met Dearborn. Hij had uitstel gekregen - bij Gods gratie, ternauwernood. Het was het maximaal haalbare, dus in die zin had hij waarvoor hij naar Washington was gekomen – een laatste kans om zijn levenswerk te redden. Tenslotte was drie keer scheepsrecht. Dit was wat een ter dood veroordeelde moest voelen, als hij hoort dat hem uitstel van executie is verleend.
Iets beloven was het probleem niet; het waarmaken was een heel ander verhaal.
Vijf oproepen gemist, drie voicemails, had hij gezien op zijn mobiele telefoon. Hij herkende de nummers: natuurlijk van PharmAzone waar zijn plan bleef; en van LT, waarom hij niet terugbelde zeker.
De telefoon had hij uitgezet: morgen was er weer een dag en hij had genoeg aan zijn hoofd.
Hij dronk bier, knabbelde van de nootjes – niet van de olijven – en bekeek met een half oog de koppen op de voorpagina van een krant die op de bar lag: aanslagen in Turkije, Afghanistan en Bagdad. Het Witte Huis had bekend gemaakt dat de financiële steun van de VS aan politie en leger van Pakistan werd verdubbeld, alsof het sinds nine-eleven niet meer uitmaakte wat onze vrienden waren – democratie of dictatuur, een pot nat – zolang ze maar tegen het terrorisme verklaarden te zijn. Tot zover het belang dat wij hechten aan het gevecht voor the American way, dacht Harl.
Hij schoof de krant van zich af en keek om zich heen.
De bar was verlaten, op een eenzame zakenman na. Aan een tafeltje in een nis zat hij geconcentreerd achter een laptop. Waarschijnlijk bezig met een plan; zo’n slaafs gehoorzaam PharmAzone-type leek het hem wel.
‘Slow night,’ zei de barman, maar Harl had geen zin in smalltalk. Hij draaide zich opzij, en keek naar het grote televisiescherm – een praatprogramma met op de achtergrond beelden van een paardenrace. ‘Horses for courses,’ dacht Harl, en hij dronk zijn bier. Onder in het scherm liep een tekstbalk mee, zo te zien met uitslagen en wedkoersen. De derde race At Temple was blijkbaar gewonnen door Josemite Joe, vier tegen een. Het was Calamity, dacht Harl. En Jane, geen Joe.
‘Zal ik het geluid voor u aanzetten?’ vroeg de barman.
De pianist in de lobby was overgeschakeld op She.
‘En een andere zender,’ antwoordde Harl.
‘Nog een bier?’
‘Keep ‘em coming.’
Zij zat op de bank en probeerde uit te vinden hoe de afstandsbediening werkte. Er zat een video in de recorder, maar waar was het kanaal?
Het scherm werd plotseling blauw. Figuren starend naar blauwe muren, roerloos.
Het huis was leeg zonder Jay. Hij was naar Washington. Een paar dagen, voor zijn laatste kans, had hij gezegd. Sinds eergisteren – zijn koffer had ’s morgens vroeg al klaargestaan, in de deuropening bovenaan de trap, bijna dreigend – niets meer gehoord. Zij was met hem meegelopen naar de auto, zich afvragend of hij een kus op prijs zou stellen. Een kus op zijn wang, ten afscheid, al was het maar voor een paar dagen. Hij had het opgelost door met zijn armen wijd op haar af te stappen, nadat hij zijn koffer in de achterbak had gelegd. Zij liep in zijn omhelzing. Hun armen om elkaar heen, haar neus tegen zijn borst.
‘Ik wil zo graag helpen,’ had zij gezegd, met een piepstemmetje. ‘Als ik maar wist hoe.’
Toen zijn auto om de hoek was verdwenen, realiseerde zij zich dat zij had staan zwaaien (en aan LT op Schiphol gedacht). In gedachten zag zij Jay rijden, langzaam, steeds sneller van haar weg, in de richting van de stad en het vliegveld.
Gisteren was een rare dag, hoezeer zij ook haar best had gedaan haar ritme – zonnen, wandelen – op te pakken, maar zij was te onrustig om stil te liggen en te lamlendig om naar buiten te gaan. Rondneuzend in een van de lokalen op de begane grond van het schoolgebouw, tussen de wonderlijke kaart van de wereld (de omgekeerde wereld), de met gaas bekleedde Ganzfeld-schotten en de verhuisdozen, vond zij een poster die haar de vorige keer niet was opgevallen.
Het was een levensgrote, ingelijste, vergeelde afbeelding van een cartoonprofessor – zwarte krulletjes rond een kale kop, een witte laboratoriumjas aan, een rond brilletje – turend naar de ruimte door een enorme telescoop. Boven hem – in een wolkje – stond:
THEY ARE
THEY MUST BE
Op de televisie nog steeds blauwe mannen, roerloos, starend naar?
Ze stonden stil, net als zij.
Oké, genoeg zelfmedelijden! Uit met die tv. Vandaag ga ik wandelen, zin of niet. Zij stond op en liep naar haar kamer om zich om te kleden. In de gang passeerde zij de keukentrap die Jay – in afwachting van de nieuwe trap – zolang voor haar in de gang had gezet.
Symbolisch vond zij: oude dingen slopen, dat konden ze wel. Maar wat ervoor in de plaats zou moeten komen was blijkbaar een heel ander verhaal.
* * *
Op de terugweg zag zij een rode Toyota pick-up voor het schoolgebouw geparkeerd staan.
Ridder zat thuis.
Hij had wat dossiers meegepakt van de stapel ‘lopend’.
Holt had hij niet meer gezien sinds die avond in de kroeg en zijn ontslagbrief – vrije dagen blijkbaar.
Ridder wilde niet aan Holt denken. Hij zette zich aan het werk en mompelde in zichzelf terwijl hij door de dossiers bladerde. Opnieuw las hij de verbalen en bekeek hij de foto’s. Zonder moeite herinnerde hij zich de bijzonderheden van de zaak.
Vreemden van hem, maar bekend.
Van hem en toch niet.
Vrouwen in overgrote meerderheid.
Wat Helen er ook van mocht vinden, de meeste vermissingen van jonge vrouwen hadden niets met misdrijven te maken. De meeste losten zichzelf op: binnen een paar uur of binnen een paar weken. Het bleek een misverstand of een poging tot weglopen met plotselinge spijt. Tot inkeer gekomen, na een vlucht voor niet begrijpende ouders, een overspelige partner, of andere problemen: geld, school, huwelijk, drugs, werk. Soms, niet vaak, wat huiselijk geweld.
Op een dag gaat de deurbel, en daar stond ze weer. Of er komt een telefoontje of een ansichtkaartje.
Spijt of heimwee of vergeving. Oost, west, thuis best. Everybody happy. Dossier gesloten.
De vermissingen die na een maand nog niet waren opgelost, waren negen op de tien keer een bewuste keuze van de vermiste zelf. Met wat gezond verstand en voorbereiding had zo’n verdwijning een redelijk grote kans van slagen. In die gevallen was geen nieuws goed nieuws, behalve voor de radeloze achterblijvers, die moesten balanceren op het dunne koord tussen wel nieuws willen horen en geen nieuws willen horen.
Ridders ‘lopend’ archief was inmiddels uit zijn eerste kast gegroeid. Voor hem was een vermissingszaak nooit gesloten of verjaard, maar was of ‘lopend’ of ‘opgelost.’ Dan pas ging het dossier naar de kelder, of, zo nodig, met de interne post naar de jongens van moordzaken.
Ooit had hij zich voorgenomen alle lopende dossiers minimaal een keer per jaar door te nemen.
Zijn werk.
Zijn falen.
Hij voelde geen schaamte meer, zoals in de eerste jaren.
Nu was hij alleen maar moe.
Hij las de verbalen – de meeste in zijn eigen handschrift – en hoorde in gedachten weer de verhalen van de bezorgde achterblijvers. Dan gingen ze weer, een stukje rijden als ze tijd en zin hadden, met wat mensen praten, een foto op de fax, een aantekening in het dossier. Meer dan wat Holt de toespraak noemde (heus alles komt weer goed laten we niet meteen het ergste denken) was het eigenlijk niet. En meer was ook niet nodig, want het lost zichzelf op, zeggen de statistieken. Negen van de tien keer. Binnen een paar dagen, een week of twee, drie. Hooguit.
Hoe vaker hij de toespraak gaf, hoe eenvoudiger het hem afging. Hij bood troost.
En tegelijkertijd leek het alsof de woorden versleten raakten, en hol klonken in zijn eigen oren. Hoe was het mogelijk dat mensen dat wilden horen (dat hij het nog steeds serieus kon zeggen)?
Moe was hij van de toespraak
En moe van de dossiers ‘lopend’ die – paradoxaal genoeg – zwaarder werden van weer een jaar zonder nieuws.
Hij stond op, deed het licht boven de tafel in de achterkamer uit. Misschien dat er iets op tv was vanavond. Dan zou hij er morgen met Holt…
O nee.
Bel hem op, gewoon, nu, dacht Ridder. Pak de telefoon en bel hem.
En wat ga ik hem dan zeggen? Dat ik hem zal missen? Dat ik niet kan wat hij kan? Dat hij de goede beslissing neemt? Dat ik hem veel geluk wens? Verdomme, dat sloeg allemaal nergens op.
Dat hij zich geen zorgen om jou hoefde te maken? Dat het allemaal goed kwam? Dat klonk… Dat klonk als…
…de toespraak.
Voor de deur gaf Conny hem een arm en frunnikte zijn stropdas recht.
Tevreden knikte ze naar de maitre d’ en ze stapten het restaurant in, uiteraard gebruik makend van beide deuren, geheel in stijl.
Met Conny ergens naar binnen gaan was altijd een evenement. Binnen een seconde hadden haar geoefende ogen de aanwezigen gescand. Binnen twee de rangorde vastgesteld.
Vervolgens loodste ze Adam in volgorde van belangrijkheid langs de verschillende tafels, terwijl ze ondertussen namen afriep. ‘Adam, kijk eens wie daar zijn? De Carlysles!’
Er was een tijd geweest dat Adam zich opgelaten voelde als zijn vrouw hem zo tentoonstelde – misschien was het bedoeld als souffleren, maar het voelde als ridiculiseren. Ook had hij lang moeten wennen aan het quasi-familiaire gebruik van voornamen – Supreme Court Justice Robert M. Fisher noemde ze Bob, senatoren Vinnie of Doug en de hoofdcommissaris Charlie – en beschaamd herinnerde hij zich dat hij haar begroetingen ooit te luid, te kort, te plat vond.
Hij was onzeker geweest en jaloers, wist hij nu. En nu zag hij ook hoe volkomen misplaatst dat was geweest.
Langzaam maar zeker had hij geleerd zich neer te leggen bij het feit dat Conny zijn vrouw (of liever gezegd Conny de dochter van) en niet senator Adam Hayward het middelpunt van de belangstelling was. Hoofden draaiden haar kant op, wist hij, dat was onvermijdelijk, hoe dicht hij ook bij haar in de buurt bleef. Zo was het en niet anders. Conny kende de juiste mensen en de juiste mensen kenden Conny.
Hij wist inmiddels – de succesvolle trip die hij dankzij haar vader naar Ecuador had mogen maken had hem helemaal overtuigd – hoe belangrijk het was om op het juiste moment op de juiste plaats gezien te worden, de juiste handen te schudden en schouderkloppen uit te wisselen. En er dan niet bij te staan als een grijzende idioot of een boer met kiespijn.
Liefde was voor romantici, vond Adam, zeker als je zo lang getrouwd was. Maar hij wist inmiddels hoeveel hij aan haar te danken had. En hoe trots hij op haar was.
Al vond hij haar de laatste tijd wat stil.
Jay had haar de mappen gegeven – maar was er zo te horen niet geheel gerust op.
‘Zeg me als het te veel is, oké?’
‘Ja, Jay.’
‘Een half uurtje maximaal. Niet langer.’
‘Nee, Jay.’
Het deed haar even denken aan museumles – met de klas op excursie in het Stedelijk stonden ze een uur bij een enorm schilderij met niets dan drie egale kleurvlakken: rood, blauw, geel. Hoe meer woorden de leraar eraan besteedde, hoe baldadiger de stemming werd. Maar toen zij de eerste map van de stapel pakte en de eerste tekening bekeek, gebeurde – uiteindelijk ongemerkt – precies het tegenovergestelde.
DIA – DEPARTMENT OF DEFENSE
PROJECT # 76529/23
1978/VI
CLASSIFIED
Zij bladerde en zag:
Een bijna technische tekening van een haventerrein.
Bladzijden lang precieze, priegelig kleine tekens.
Een enkel oog – rood, bloeddoorlopen – midden in een enorm zwevend hoofd aan een touw.
Met verkleurd plakband gereconstrueerde fragmenten, de afbeelding zo krachtig doorgekrast dat het papier was gaan scheuren.
Een kindertekening van een draaimolen op een zonnige kermis, met – in plaats van vrolijke dieren – menselijke skeletten in alle standen.
Een landkaart van een onbestaand land, compleet met kompas.
Vellen vol cijfers, ingewikkelde formules en coördinaten.
Een vliegtuig in brand, in de cockpit een zwaaiende piloot op weg naar de crash.
Een vis in een aquarium van doorzichtige bakstenen.
Orkanen van kleur rond een vurig roodgele doodskop.
Een naakte oude vrouw, haar benen wreed gespreid, een bloedend mes in haar hand.
Vijf woorden van vijf letters, keurig in blokletters in het midden van het papier, in een taal die ze niet kende. Het deed haar denken aan een kruiswoordraadsel.
Een houtskoolschets van een familie aan de ontbijttafel – lachende ouders en een tweeling zonder hoofd.
Waar zij ook keek – ogen. Ogen en symbolen (cirkels, kruisen, golven, trappen, sterren, spiralen, runen, kubussen, driehoeken, hiëroglyfen, vlakken, alles door elkaar in complexe patronen).
Zij bladerde en dacht niet meer na over wat zij zag.
Zij keek – en voelde:
eenoogballonhoofd
krasscheurpijn
doodsangstkermis
gifgrensbrandstorm
sterfkompasland
schedelgeelkopvuur
kruiswondbloed
Zij bladerde en zag – uiteindelijk ongemerkt – zonder te zien, tot iets in haar (iets dierlijks, misschien, of iets primitiefs, in elk geval iets onbedachts) het overnam en…
torengrafzwarttunnellicht
machtonmachtslag
… haar van de tafel en de mappen wegduwde.
Zij stond op, riep ‘Nee!’ zonder het zelf te horen, haar maag werd samengeknepen, een golf zuur kwam omhoog in haar keel. Met haar hand krampachtig voor haar mond – net op tijd – rende zij naar de badkamer. Weg! Eruit!
Henry schrok wakker en vloog overeind.
Reese!
De droom weer, en ditmaal realiseerde hij het zich – het was de droom, je ligt in een hotelkamer en Reese kan niet bellen – voor hij de telefoon pakte om het te controleren. Kiestoon.
Hij zwaaide zijn benen uit bed en keek de kamer rond.
Hotel Naçional, Quito, Ecuador. Eersteklas. Een bloemstuk namens PharmAzone. Zijn tas op het andere bed – zijn koffer had hij niet mee willen nemen, dat voelde te veel als verraad. Evenals het boek waaruit hij haar voorlas.
Zijn oog viel op de afstandsbediening, hij deed een greep en drukte.
Het scherm lichtte op.
Een nagesynchroniseerde soap. Hij herkende de acteurs niet, maar wel de manier waarop ze na elke scène veelbetekenend close-up in beeld kwamen en in de camera keken.
Op twee was een weerbericht: zwarte donderwolkjes, felle zonnetjes geprojecteerd op een draaiende wereldbol.
Hij drukte verder. Kanaal drie was sneeuw en ruis. Vier was een tekenfilm: zingende dwergen aan het werk in een donkere tunnel, hakkend in de maat. Sneeuwwitje, dacht Henry, maar niet de Disneyversie. Op het eerste gezicht zag het er vrolijk genoeg uit, maar aan de flakkerende rand van het schijnsel van hun fakkels was het dreigend en sinister zwart, alsof ze zich in de opengesperde bek van een onvoorstelbaar monster bevonden.
Hij zette het geluid uit en stond op. In de badkamer vulde hij een glas met water, en liep terug.
Op de televisie was nu een kerkdienst in volle gang, het leek Henry een scène uit een speelfilm. Gebrandschilderde ramen, pilaren met goud belegd, heiligenbeelden. De kerk zat vol, op de voorste rij zat een huilende vrouw, haar mascara uitgelopen. Van een vrouw met zwarte hoed en voile kreeg ze een zakdoekje aangereikt.
Henry drukte het geluid aan, en was niet verbaasd Verdi te horen. Verdi, uiteraard.
Reese hield niet van opera.
Hij zette de tv uit, zijn glas op het nachtkastje, en ging weer liggen.
Ze werd er onrustig van, ongeduldig, agressief. Henry had haar proberen uit te leggen dat opera veel meer was dan muziek. ‘Waar gaat het dan allemaal over?’ hoorde hij haar stem, naast zich, zo levensecht dat het leek alsof haar stem weerkaatste in de hotelkamer.
‘Over goede bedoelingen en waar die op uitdraaien,’ had hij gezegd.
‘Waar draaien die dan op uit?’
‘De held die moet buigen, ondanks alles wat hij onderneemt, voor machten groter dan hijzelf. Meestal bereikt hij precies het omgekeerde van wat hij wilde.’
‘Drama,’ had Reese gezegd.
Henry sliep uiteindelijk – in zijn hoofd opera en Reese – maar ditmaal zonder dromen.
Terwijl hij die morgen in de verhuisdozen zocht naar bruikbare GPS-coördinaten, herinnerde hij zich Pete.
Shit, Pete! Helemaal vergeten!
Zoals hij van Pete gewend was, had Harl de jonge assistent van de afdeling Special Projects van PharmAzone binnen vijf seconden aan de lijn.
‘Goedemorgen, sir, goed om uw stem te horen.’
Altijd paraat en op zijn post. Beleefd, hardwerkend, loyaal. Hij had Pete veel eerder moeten bellen – meteen na Londen. Nu had Pete het nieuws natuurlijk al via de wandelgangen gehoord. Hij verdiende beter, wist Harl.
‘Morgen, Pete,’ zei Harl. ‘Alles goed?’
‘Dat kan ik misschien beter aan u vragen? Ik bedoel helemaal nu…’
‘Ik had het je zelf willen vertellen, Pete,’ onderbrak Harl. ‘Maar ik kwam... Ik bedoel het is een rare tijd geweest.’ Het excuus klonk hol, als een uitvlucht.
‘Niet nodig om u te verexcuseren, sir.’
‘Het is een verklaring, geen excuus, Pete. Ik vind het echt vervelend.’
‘Ik begrijp het, sir. Voor ons allemaal. Maar wat kan ik voor u doen?’
Harl vertelde hem waar hij naar op zoek was en werd op zijn wenken bediend.
‘Duidelijk. Vijf locatiespecificaties, vijf coördinaten. Allemaal in de VS, sir? Dus geen Kashmir? Geen Noord-Korea?’
‘Nee, allemaal VS. Voorlopig in elk geval.’ Wie weet, dacht Harl, als het haar lukt. Tora-Bora zou een ideale demo zijn voor Dearborn en zijn team.
Binnen vijf minuten kreeg Harl wat hij nodig had. Pete – efficiënt en discreet als altijd – stelde geen vragen, en Harl was hem er dankbaar voor.
‘Nog iets dat ik voor u kan doen?’ vroeg Pete.
‘Eigenlijk zou ik de vraag willen omdraaien,’ zei Harl.
‘Nou, ik heb al wat ijzers in het vuur, sir, een paar gesprekken gevoerd. Nog niets concreets, maar het loopt.’
‘Dat is mooi,’ zei Harl, zichzelf vervloekend.
‘Het spijt me, sir. Ik weet wat het project voor u betekende.’
Verleden tijd, hoorde Harl. Cassandra was verleden tijd. ‘Dank je, Pete, dat stel ik op prijs. Ik weet dat ik niet de enige ben. Ook jij hebt je steentje meer dan bijgedragen. Aan jou heeft het niet gelegen. En dat meen ik.’
‘Dank u, sir. Als u het zegt. Dank u.’
Harl beet op zijn lip. Hij had Pete als een hond behandeld, en nu werd hij er nog voor bedankt ook. En welgemeend.
Het was even stil op de lijn.
‘Sir?’
‘Nogmaals bedankt, Pete. En laat me weten als je een getuigschrift wilt. Of wat dan ook. Als ik nog iets voor je kan doen...’
‘Dank u, sir, dat zal ik zeker doen.’
Harl betwijfelde het.
Diep in gedachten kwam zij bij de kruising in het pad. Zij stapte over de diepe sporen die de legergroene vrachtwagen – met in de laadbak gewapende kinderen – had achtergelaten.
Zij dacht aan wat Jay haar had uitgelegd over bewijs en ongeloof. Zijn verhaal begon met de Koude Oorlog, de CIA, en eindigde met eeuwenoude Griekse mythologie.
Ooit hadden Jay en LT, de mannen van Cassandra, gedroomd van de wereld veranderen. Maar op enig moment was hun zoektocht naar het geheim ontspoord en hadden ze zich meer en meer beziggehouden met bewijzen dat ze geen oplichters waren.
Aan het begin en het einde stond een even onmogelijke opdracht.
Wij zijn absoluut betrouwbaar. Het klonk als een tweedehands-autoverkoper: ‘Ongelogen, echt waar. Hij is van een oud dametje geweest, die er boodschapjes in deed, meer niet. Heeft eigenlijk altijd in de garage gestaan en nauwelijks kilometers gemaakt. Een koopje. Een buitenkansje.’
En dan garantie tot de hoek.
Het deed haar denken aan een uitzending van Politieke Partijen die zij eens had gezien: iemand met een slecht gebit, achter een tafeltje en een buitenmodel bloemstuk herhaalde zo vaak en nadrukkelijk dat hij te vertrouwen was, dat zij zich wantrouwend begon af te vragen waarom hij dat dan eigenlijk zo vaak herhaalde.
‘Natuurlijk hou ik van je, doe niet zo raar, waarom vraag je dat toch steeds?’ hoorde zij de stem van Tim. Erachteraan zijn al even achteloze als automatische reactie: ‘Ik ook van jou,’ even achteloos als automatsch.
Dat was het moment dat zij struikelde.
Over een wortel in het pad. Zij viel plat voorover – de bodem koel op haar wang en armen, in haar neus de geur van bladeren, gras en zand. Een vogel hoog in het woud floot luid, duidelijk, melodieus. Een andere antwoordde, even vrolijk en helder. Het geruis van bladeren.
Een hond verscheen uit het niets en scharrelde hijgend om haar heen. Een harig, kleverig, nat gevoel op de huid van haar hand.
Geen idee hoe lang zij daar lag, zich van niets bewust (luisterend, ruikend, voelend, proevend).
Pas later – toen zij op een boomstronk zat en op haar rechterscheenbeen een beginnende blauwe plek zag – realiseerde zij zich dat zij vanaf haar val tot nu geen enkele bewuste gedachte had gehad.
Niets, had zij gedacht, heerlijk niets.
Zij liep terug, voorzichtig, naar het schoolgebouw. En dacht: het geheim van niets denken is niet je hoofd leegmaken, maar het vullen met iets anders.
Nog nagenietend van haar ontdekking – het klonk als iets wat Jay kon zeggen – kwam hij de kamer binnen.
Hij liet haar de fax zien, opgewonden maar ook angstig, als een kind dat op straat een portemonnee vindt en zich afvraagt wat nu – houden en zwijgen of juist niet?
Zij las de tekst, vier regels – overmorgen Dearborn-Day dus – en was blij voor hem.
Maar wat was hij met zichzelf bezig de laatste tijd.
‘Dat betekent dat het doorgaat?’ vroeg zij. ‘Oké.’
Zij stond op, zette haar glas neer en liep de gang in, en dacht aan vijf mannen in een kooi (vreemd genoeg geen enkele vrouw). En allemaal hadden ze plotseling trek in een cheeseburger.
Ze reden nu over de bergweg, terug naar huis.
Godzijdank waren de pijnlijke stiltes achter de rug.
Schuldbewust babbelde Jay – met nieuwe energie – over Cassandra, zijn verhaal accentuerend met opgewonden handgebaren. Vol humor en zelfspot beschreef hij ontmoetingen met hoge officieren en geheimzinnige CIA-denktanks, en de lachwekkende experimenten die ze soms hadden bedacht.
En ongebruikelijk openhartig sprak hij over de dramatische gebeurtenissen in 1995.
‘Terug? Waarheen? Ik kon niet terug. Terug naar Stanford? Lesgeven, net al LT? Aan de University of Nowhere? Ik zou er doodgaan. Ik was – nee ik ben! – teveel op mijn vrijheid gesteld. Ik kan niet anders en ik wil niet anders.’
Dat was het moment – zou zij later bedenken – dat zijn stemming omsloeg.
‘Maar zo werkt het niet, heb ik door schade en schande ondervonden. Want de shit komt van boven. Boven beslist, pats boem. Einde oefening. En daar sta je dan, vol onbegrip en machteloosheid. LT heeft daar een mooie theorie over. Hoe ging-ie ook weer? Dat de zittende macht uiteindelijk door de machtelozen wordt omvergeworpen. Ha!’ Hij sloeg op het stuur.
Jay vertelde niet meer aan haar. Hij was niet meer in de auto of bij de koplampen op de donkere weg of de afgrond achter de witte markeringen, en niet meer bij haar.
Hij vertelde het zichzelf.
‘Het streven van de macht is de macht behouden. Het streven van alle anderen is macht vergaren. Het goede wint niet, zoals romantici als LT graag willen denken, maar de sterkste wint. Het gevecht gaat om land, wapens, geld, wraak, seks, geloof, een idee, eten of onrecht, noem maar op, in allerlei combinaties – je kunt het zo complex maken als je wilt. Maar uiteindelijk draait het om de twee tegenpolen in de balans: zij die hebben versus zij die willen hebben. Macht versus jaloezie. Als de stofwolk is opgetrokken boven het slagveld, is er niets veranderd. Niets! In het meest extreme geval zijn de machtelozen van gisteren de machthebbers van vandaag geworden. Rollen omgedraaid en het spel begint opnieuw. Pas als je uit het systeem stapt, win je. Omdat je het spel verandert. Change the game. Dat is wáre verandering. Want je maakt je onkwetsbaar voor de regels.’
Hij knikte, knipperde met zijn ogen, zijn mond half open. Als een man die zojuist verrast werd door zijn eigen woorden. Zo voelde het, in elk geval, dacht zij: Jay had het niet gezegd, hij had het gehoord.
‘Er was eens een dorpje in het Wilde Westen. Jarenlang werd het geterroriseerd door een revolverheld. Iedereen die het tegen hem opnam, schoot hij neer, ze hadden geen kans. Elk duel won hij. De dorpsbewoners, inclusief de sheriff, gaven het op. Hij was onbetwist de sterkste. Op een goede dag verscheen een nieuwe uitdager, maar de man droeg geen wapen. Die is gek, dacht iedereen. Maar integendeel: hij was slim. Het spel spelen volgens de regels van de revolverheld, betekende een zekere nederlaag. Maar door geen wapen te dragen, kon hij niet verliezen. Als hij door de revolverheld werd neergeschoten – hij, een ongewapende man – was de held een lafaard geworden. Toen hij niet werd neergeschoten, zag het hele dorp wat het antwoord was op de voortdurende provocaties.’
Jay knikte eenmaal vastberaden en met een zekere trots, alsof hij zijn waardering toonde voor een spreker die tijdens een debat over een controversieel onderwerp een taboe doorbrak: Goed dat het eindelijk eens hardop wordt gezegd!
Even later keek hij haar aan.
‘Hoe kwam ik daar nou op?’ vroeg hij, met een lach. ‘Het klonk fucking briljant, maar ik heb geen idee meer hoe ik er op kwam.’
Zij lachte mee; opgelucht dat hij – op dit moment, in elk geval – weer bij haar terug was.
Zij lag aangekleed op het bed tegen een stapel kussens in de hotelkamer. Jay had haar geld gegeven – een raar moment, als zakgeld van haar vader – om een jurk te kopen. ‘En een paar fatsoenlijke schoenen,’ had hij gezegd. ’Die All-Stars kunnen echt niet morgen.’
Zij was heen en weer gelopen naar de winkel, langs eindeloze rijen gokmachines, flitslampen, zwaailichten, sirenes, rinkelende munten, geschreeuw, gevloek, gejuich – te veel mensen, te veel prikkels – en had terug op de kamer de deur stevig op slot gedraaid.
Nu pas dacht zij dat zij haar paspoort had kunnen vragen. En een taxi kunnen nemen. Naar het vliegveld gaan. En dan…
In de aangrenzende kamer hoorde zij gestommel van het oudere echtpaar, maar het boeide niet.
‘Als je iets goed kunt, betekent dat niet dat je het moet doen. Je kunt ook doseren,’ zoiets zou Jay nu zeggen, zo triviaal dat het diepzinnig werd. Zij pakte haar dagboek, draaide zich om op bed en schreef:
Las Vegas! Een overdosis schitterend en schreeuwerig. Ongelofelijk uitzicht uit mijn raam. O trouwens helemaal vergeten gisteren zag ik op het vliegveld die politieman in het wit weer, half achter een pilaar. Jay zag hem niet. Hij knikte vriendelijk naar me en ik knikte terug. Toeval?
Zakgeld van Jay gehad! En een jurk gekocht (moccakleur, stoer maar toch gekleed, geen mouwen, niet te kort niet te lang) en schoenen erbij! Hakken!
Morgen D-Day. Makkie. Toch gespannen. Fijn gevoel wel, dat ik iets terug kan doen, eindelijk, voor LT en voor Jay. Na alles wat zij voor mij hebben gedaan.
Ik heb televisie! 600 kanalen! Geen zin in.
En telefoon. Aan Helen gedacht. Zou wel willen dat ik haar even kon zien. En even knuffelen. En dat ze tegen me zegt dat het allemaal goed is en dat ze van me houdt. Zucht, ik leer het ook nooit. Ook aan LT gedacht. En wat ik ervan vind dat hij niet belt. Kortom – telefoon, maar niemand gebeld. Even gedacht over weggaan: paspoort vragen (hoezo? och, zomaar, Jay), taxi, vliegveld, weg. Maar nee, dus, ik wil niet terug.
Jays kamer op een andere verdieping (roken!). Hij is niet normaal meer zo zenuwachtig. Ander mens geworden. Had hem zelf op een soort onaantastbaar volwassen beheerst rustig (Jay weet alles) voetstuk geplaatst. Nu is hij ineens een mens (staat wel raar het zo op te schrijven, maar weet even niets anders). In het begin zat hij helemaal in zijn eigen wereldje, maar nu is hij compleet overbezorgd. De D-Day spanning is van zijn gezicht af te lezen. Heerlijk als het morgen eindelijk allemaal achter de rug is. Voor hem. En voor mij.
Zij sloot het dagboek, knipte het lampje op haar nachtkasje uit, stond op en keek uit over de stad.
Betty deed haar best om naar Steve te luisteren, maar de kriebel in haar keel ging niet weg.
Ze schraapte haar keel zachtjes, om hem niet te storen, maar het hielp niet.
Shit.
Ze reikte kuchend voor Vera langs naar de waterkan en schonk haar glas vol.
‘Ja, Betty?’ zei Steve. Hij keek verstoord.
‘Nee, sorry, ik…’ Het klonk schel en luid, en de kriebel nam in hevigheid toe. Ze nam haastig een slok, en verslikte zich. Ze hoestte, een straal water spoot uit haar mond, ze wendde geschrokken haar hoofd af. Het water viel precies in haar kruis.
Wat een vernedering! Wat te doen? Opstaan? Naar het toilet? Ze durfde Steve niet aan te kijken, laat staan Brian en de Baas. Het was vernederend als…
(…het hangslot hing los, haar kluisje stond open…)
…die keer. Hijgend, bezweet en voldaan, liep ze de kleedruimte onder de gymzaal van de Academy binnen. Haar standaard tien kilometer crosscountry zat erop. Haar grijze FBI-sweatshirt en joggingbroek waren doorweekt. Ze was van plan een snelle douche te nemen, en liep tussen de rijen lockers door en zag het hangslot (hing los) en haar kluisje (stond open).
Haar hartslag versnelde, ze trok de deur open. Het eerste wat ze zag was de tas.
Toen wist ze het al – en nu, vijftien jaar later, in de vergaderzaal op de bovenste verdieping van het Excalibur Casino Hotel in Las Vegas, wist ze het weer en opnieuw; de vernedering even hevig als destijds.
Haar tas was omgekeerd en de inhoud lag op de bodem van de locker: lippenstift, eyeliner, zakspiegel, tampons, rijbewijs, portefeuille, sleutelbos. Alles – alles dat er mocht zijn – was er nog. En in het midden...
(ze zag het zonder te zien, wist het voor ze het wist, ze twijfelde niet, al vanaf het moment dat ze het hangslot zag wist ze: dit ging niet om diefstal, maar om vernedering)
…stond de dildo.
Haar dildo. Keurig in het midden, recht overeind. Uit de leren etui gehaald en zorgvuldig rechtop gezet. Aangeraakt en bezoedeld. Haar blauwe G-spot dildo. Betty was niet de eerste vrouw in Quantico, bij lange na niet. Maar nog altijd waren ze in de minderheid. En wie geen man was moest, om erbij te horen, minimaal heteroseksueel zijn. Wie zich liet pakken was een slet, een easy lay, maar hoorde erbij. En wie zich niet liet pakken, was een pot.
Want dat – wist ze toen en nu – was waar dit om draaide. Een grap die geen grap meer was, maar een vernedering, doelbewust en trefzeker.
Verdoofd stopte ze alles terug in de tas. Ze douchte lang, maar het smerige gevoel bleef (een onzichtbare inbreuk, maar overheersend aanwezig, als hardnekkige kriebel in je keel) nog jaren.
Een uur later – en nog steeds – zag ze de wetende blikken van haar klasgenoten, in de kantine al tijdens de lunch. Ze hoorde het besmuikte gelach en zag de spot in hun ogen.
Vanaf die dag was ze niet meer veilig. De FBI-Academy was niet meer veilig. Ze studeerde af, summa cum laude, top of her class, als bittere wraak – maar zonder bevrediging.
De dildo – met tas en al, alles! tot ze zich op het nippertje haar papieren en sleutels nog herinnerde – dumpte ze. Sinds die keer…
…die vernedering…
…heeft ze nooit meer van zichzelf kunnen genieten (zonder hun gelach in haar oren, hun spottende gezichten om haar heen).
Ze dronk water, zat muisstil (Steve, Vera, de Baas, Brian vergeten) en tekende met de pen in haar hand zonder het te beseffen iets dat leek op een hangslot en een kluis.
Maar hoeveel ze ook dronk, die verdraaide kriebel – die vieze kriebel – bleef.
Uiteindelijk vond Harl het genoeg geweest. Hij stond op, schoor zich, douchte, en kleedde zich aan.
Tien voor zes.
Op televisie – het geluid nog steeds uit – zag hij reddingswerkers in gele jacks en honden zoeken naar overlevenden onder het puin. Een aardbeving of een aanslag? Breaking News, zag hij in een bovenhoek van het scherm. Ook CNN wist het nog niet, blijkbaar. Onderin vermeldde een tekstbalk het geschatte aantal dodelijke slachtoffers en vermisten.
Hij drukte de tv uit, en liep naar de liften.
Nog geen zes uur, maar in de Round Table-ontbijtzaal was het al druk.
Hij pakte koffie bij het buffet en een International Herald Tribune van het rek. Begrotingstekort: alltime high. Dollar versus Euro: alltime low. Speculaties of de troepen uit Irak en Afghanistan thuis zouden zijn voor kerstmis. Een voorbeschouwing over de komende EU-top (commentaar: Divided Europe, page 7).
Hij legde de krant opzij.
Elf over zes.
De ochtend na D-Day.
In zijn hoofd tolde opnieuw de eindeloze carrousel van overtuiging en twijfel: hij wist zeker dat vier van de vijf genoeg zou zijn – het moest genoeg zijn. Maar stel dat het niet genoeg was? Stel?
Hij stond op en liep langs rijen gokmachines door de immense hal en de lobby, tussen replica’s van middeleeuwse harnassen, schilden, wandtapijten, wapens in vitrinekasten door, langs de fontein naar de rotonde voor de ingang van het hotel.
Taxi’s en limo’s reden af en aan.
Hij rookte een sigaret. En nog een.
Vier voor half zeven.
Nog vier en een half uur, dan zou hij het weten. De beslissing van Dearborn. Het oordeel.
De redding van Cassandra, de laatste strohalm. Of haar doodvonnis.
Zou vier van de vijf genoeg zijn?
Nog steeds geen half zeven.
Hij liep terug.
Zou zij al wakker zijn?
Ridder nam op, en herkende de stem van de vakgroepsecretaresse meteen.
Ze had nog nagedacht over wat hij haar had gevraagd over die vermiste vrouw. En of ze ergens konden afspreken, maar niet op de universiteit. ‘Ik wil u iets laten zien. Het zou iets kunnen zijn en misschien ook niet.’
Ze spraken af in een lunchroom halverwege.
Ridder was er al toen ze binnenkwam. Het was een kleine kans; volgens KPN had zij een paar keer met de professor gebeld op de dagen voor haar verdwijning.
Hij stak zijn hand op.
Ze nam tegenover hem plaats zonder haar regenjas uit te doen of zelfs maar los te knopen. Haar handtas hield ze stijf vast. Een tante, die de foto’s van haar kleinkinderen voortdurend paraat heeft, dacht Ridder: bemoeizuchtig maar ongevaarlijk. Nee, ze wilde geen koffie of iets. ‘Ik kan maar heel even blijven.’
Uit haar tas haalde ze een plastic mapje dat ze zorgvuldig gladstreek en naar hem toeschoof.
Het leek Ridder een multiple choice invulformulier. In het Engels, twee kantjes. Cassandra Intake Questionnaire.
Erachter zat een overzicht van MasterCard, geadresseerd aan de universiteit, op naam van de professor. Hotels, restaurants, vliegtickets. Ridder bekeek de bestemmingen en de data. De meest recente trip die de professor naar het buitenland had gemaakt was LONDEN/HEATHROW-MAD.
Op de dag dat zij verdwenen was.
‘Ik roddel niet graag, weet u. Maar ik dacht wel eens: zou er iets zijn tussen die twee? Ik heb namelijk gebeld met het reisbureau, omdat ik dacht dat het een fout was, want de professor was helemaal niet naar Londen geweest. Dat ticket stond op haar naam. Hij heeft het voor haar betaald.’ Ze keek om zich heen als een ware samenzweerder. ‘En op een keer, zij was net naar binnen bij hem, kwam hij naar buiten, en vroeg of ik een fotokopie wilde maken. Natuurlijk, zei ik. Dus ik ging een kopie maken, even tussendoor u kent dat wel. Ik had niet gezien dat het kopieerapparaat op enkelzijdig stond, en dus heb ik het overgedaan. Staat gewoon netter vind ik.’
‘En toen?’ vroeg Ridder.
‘Toen niets. Ik heb het netjes in een mapje gedaan en naar binnen gebracht.’
‘Dat was deze vragenlijst?’
‘Ja,’ zei ze.
‘Heeft u enig idee waarvoor of waarvan? Cassandra?’
‘Weet u het ook niet?’ vroeg ze. ‘Wat het betekent?’
Hij had geen idee. Iets.
Hij draaide het formulier om – geen afzender, geen adres – en las de eerste vraag. ‘Kies wat het beste bij u past,’ vertaalde hij. ‘Mogelijkheid A: Ik ruim mijn kantoor altijd netjes op. Mogelijkheid B: Ik ga vaak uit met vrienden.’
Snap ik niet, dacht Ridder. Het klonk als iets dat Przewalski zou verzinnen.
Niettemin was hij tevreden. Wat het ook was, hij kon Holt ermee verrassen. En dan kon Holt aan Helen laten zien dat de politie er wel van alles aan deed. Zucht.
Momo was ruim op tijd.
Het weerbericht had voor storm gewaarschuwd, maar de hemel was zover hij kon zien strak blauw.
Toch voelde hij zich niet op zijn gemak. Als iemand het hem had gevraagd, had hij het niet echt onder woorden kunnen brengen. Maar dat was oud nieuws: Momo had vaker moeite met dingen uitleggen; dingen die híj voelde en niemand anders.
Hij had deze route vaak genoeg gevlogen. En de opdracht was simpel genoeg: een pakketje afleveren. Soms kreeg hij iets mee terug en soms ook niet. Op de afgesproken tijd op de afgesproken plaats zijn met zijn helikopter, daar ging het om.
Alles ging precies zoals altijd. Waar kwam dan dat onrustige gevoel vandaan? Wat zou Felipe in dit geval doen? ‘Niet zoveel nadenken,’ zou Felipe zeggen.
Momo kreeg het warm en schoof het kleine raampje onder in de deur open. Hij had het nooit warm. ‘Jouw veiligheid voor alles,’ zou zijn oom zeggen. Met een snelle blik controleerde hij de hoogtemeter, de snelheidsmeter en de horizon. Keurig in orde. En daar was de open plek al.
Momo zette de daling in.
Op een afstandje stond Felipe met zijn brommertje; zijn broekspijpen wapperend rond zijn magere beentjes. Hij hield zijn hoofd vast, alsof hij bang was dat zijn laatste haar eraf zou waaien. Momo grinnikte. Alles was precies zoals altijd. Er was niets aan de hand.
Toch knaagde er iets. Alsof er iemand kille adem in zijn nek blies.
Ze ruilden hun pakketjes – het was niet veel wat Felipe hem gaf: een envelop voor Londen, zag hij – en namen weer afscheid.
Momo steeg op en stak zijn duim omhoog.
Wolken boven de bergen, oost van hem. De voorspelde storm was nergens te zien, al werd de wind krachtiger. Behendig ving Momo de eerste rukwind op, zijn rechterhand losjes op de envelop die hij had meegekregen. De rotors bonkten. Hij stuurde bij, en ogenblikkelijk helde de helikopter naar rechts, in zuidwestelijke koers. De dieselmotor haperde. Windstoot rechtstreeks in de uitlaat, wist Momo. Snel bekeek hij het kompas.
Als uit het niets ontstonden zwarte wolken pal oost. Gevuld met zware regenbuien en bliksem, werden ze vanuit de bergen opgejaagd door de wind. Hij schatte de afstand tot de wolken. Hij zou ze kunnen ontwijken, met geluk. Hij keek naar de envelop op de passagiersstoel.
‘Niets is belangrijker dan jouw veiligheid,’ zei zijn oom Eduard opnieuw in zijn gedachten.
Een lichtflits, bijna ogenblikkelijk gevolgd door een oorverdovende dreun. Vanaf de bergen was de hemel een turbulent donker plafond. Op het controlepaneel zag hij snelheid, hoogte, horizon, brandstof. De cockpit zwiepte wild omhoog en naar achteren.
Zijn maag draaide. Hij concentreerde zich op zijn stuurknuppel. Uit een ooghoek zag hij de boomtoppen naderen. De plastic deur klapperde dreigend in zijn scharnieren. De regen barstte los met roffelend staccato op de cabine. Op slag was de voorruit ondoorzichtig. Hij klikte de kleine ruitenwissers aan en klemde zijn handen om de stuurknuppel. De helikopter schokte en helde sterk naar rechts. Hij duwde uit alle macht, zette zich schrap in zijn stoel en kreeg de machine weer onder controle. Hijgend keek hij op zijn kompas. De wind had hem pal west geblazen.
Hij stak zijn hand uit naar de stoel naast hem, pakte de envelop. Was dit het moment waar zijn oom Eduard op had gedoeld? De helikopter slingerde wild, alsof een enorme hand hem uit de lucht pakte en door elkaar schudde. De regen sloeg onophoudelijk tegen de cockpit, in gordijnen van zwart water. Het gehuil van de storm om hem heen was oorverdovend. De naald van het kompas was onleesbaar door het schokken van de heli.
Hij duwde de stuurknuppel naar beneden in een uiterste poging het noodweer te ontlopen. Opnieuw nam een hevige windstoot de controle van hem over. Om hem heen leek de nacht gevallen. De helikopter daalde scherp. Dit was ernstig.
Hij twijfelde niet langer, pakte de envelop en stak hem door de ventilatiegleuf onderin de deur. Ogenblikkelijk rukte de wind hem uit zijn hand. De envelop wapperde open, zo leek het, en – onmogelijk, alsof de tijd, de wind, de heli waren bevroren – een kaart van een reuzenrad danste voor zijn verbaasde ogen (alsof hij afscheid nam).
Toen was de kaart verdwenen, als een wit venster in de langsrazende duisternis.
Middernacht.
Ze worstelde met de lakens in de benauwde hotelkamer. Ze was doodmoe en viel maar niet in slaap. Waarschijnlijk door de extreme overgang: de allesoverheersende brom van de miljoenenstad buiten, na de totale stilte van het regenwoud tijdens de Real Rainforest Experience wandeltocht. Het raam sluiten was te benauwd, het raam open laten te lawaaiig.
Met een brom stond ze op en liep naar het raam. Zonder zich te generen voor haar eigen naaktheid, boog ze zich naar buiten in de hoop op verkoeling. Haar borsten raakten de afgebladderde vensterbank. Onder haar was de stad nog volop in beweging.
Ze was geen stadsmens.
Een tijdschrift of een krant kopen bij dat stalletje op het plein? Een reep, een blikje fris? Ze draaide zich om, trok haar broek aan en voelde in haar achterzak de ansichtkaart die ze vanmiddag op het rotsplateau had gevonden. Opnieuw bekeek ze verwonderd de voor- en achterzijde. Een kaart van het Eye in the Sky-reuzenrad uit Londen – haar geboortestad nota bene – aan een adres in Nederland, ongefrankeerd. In het regenwoud van Ecuador gevonden, toen ze de weg kwijt was. Raadselachtiger kon niet.
Maar wat haar nog het meest had geraakt was de ondertekening:
XXX
Drie kruisjes.
Treffender kon niet.
Meteen regelen, dacht ze. Ze liep naar het bureautje, vond een pen en een envelop tussen het hotelbriefpapier. Zorgvuldig kopieerde ze het adres van de ansichtkaart op de envelop en likte hem dicht. Ze kleedde zich verder aan, liep de trappen af, door de verlaten hal van het hotel, de draaideur door het plein op. Bij het stalletje kocht ze een Business Week, een blikje Coke, een zakje M&M’s en een postzegel.
‘Internacional, señora?’
‘Si, Holanda, gracias.’
‘Holandés, ah! Cruijff!’
Ze lachte terug en knikte – al had ze dat laatste niet begrepen – en rekende af. Ze postte de brief en wandelde terug naar het hotel.
Die nacht droomde zij voor het eerst sinds zij hier was aangekomen.
De droom verliep als een film. Een monster in een klein dorpje ging een tweegevecht aan met een dommige, vriendelijke reus, een beetje een retard, een goedzak, een lobbes: Quasimodo in de Disney-versie van De Klokkenluider.
Tussen het publiek op het plein, feestelijk uitgedost en opgewonden, stond zij. Zij zag zichzelf staan door haar eigen ogen.
‘O nee, niet doen!’ dacht zij.
Maar het monster bleek onverwacht zachtaardig te zijn – omstanders jutten hem op, en joelden teleurgesteld – en het leek of hij de retard een dienst wilde bewijzen en hem meer zelfvertrouwen wilde geven. Overduidelijk voor alle toeschouwers liet het monster de retard winnen.
In de droom was het gevecht prachtig in beeld gebracht, vanuit verschillende camerastandpunten, dan weer versneld, dan weer slow-motion. De soundtrack was opzwepend. Het publiek juichte de retard toe. En hij glom van trots: voor het eerst in zijn leven zagen zijn dorpsgenoten hém staan, want híj ging het monster verslaan.
Het monster struikelde en viel. In de verste hoek van de ring lag hij op de grond, uitgeteld. Het publiek was buiten zinnen en de retard nam de felicitaties in ontvangst, zijn armen omhoog geheven, huilend van blijdschap.
Zij zag als eerste – enige – in de menigte dat het monster deed alsof. Plotseling stond hij op, naderde de retard met grote snelheid van achteren, een triomfantelijke lach (hard en koud) klonk. Zij wilde schreeuwen, waarschuwen maar was als verstijfd. In één slag van zijn machtige arm en klauw onthoofdde het monster de nietsvermoedende retard.
Zij keek toe in de droom – net als alle anderen, maar met een verschil: zij zag het aankomen. Het onverwacht wrede, bloedige einde, had zij voorspeld.
‘Zoals ik u gisteren aan de telefoon al zei; ik kan u niet helpen,’ zei de professor.
‘Kunt u haar een boodschap doorgeven?’ vroeg Ridder.
‘Dat zou impliceren dat ik weet wie zij is. En waar zij is.’
‘En dat ontkent u? En u ontkent dat u een ticket voor haar heeft betaald? Wat is dan precies uw relatie met haar?’ Allebei meerderjarig, dus niets strafbaars, wist Ridder, maar er was vast een ethische gedragsregel van de universiteit die de professor had overtreden.
‘Ik zou u nu kunnen vragen of ik ergens van verdacht word. Dat antwoord zou u niets verbazen. U zou het niet prettig vinden, wellicht, maar wel begrijpen. Maar ik kies ervoor om u netjes te woord te staan. En ik heb gezegd wat ik erover wil zeggen.’
‘Waarom geeft u geen antwoord?’
‘Het is misschien niet het antwoord waar u op hoopte, maar ik gaf u wel degelijk antwoord.’
Ridder besloot het over een andere boeg te gooien. ‘Wat is Cassandra?’
‘Cassandra is de codenaam van een researchproject waar ik jaren aan werkte. In opdracht van de Amerikaanse overheid. Het project is in 1995 stopgezet. Het was, zou je kunnen zeggen, een project op zoek naar antwoorden. Net als u, in uw vak.’
‘En wat waren dan die antwoorden?’
‘De antwoorden van Cassandra? De antwoorden van Cassandra werden niet geloofd.’
‘Ik wil alleen maar weten wat er met haar is gebeurd. Haar ouders zijn ongerust.’
‘Ongetwijfeld met de beste bedoelingen,’ sprak de professor, ‘maar zoals u weet leiden goede bedoelingen vaak tot spijt over onbedoelde consequenties.’
‘Ik snap niet wat u wilt zeggen. Het gaat mij om de waarheid.’
‘Ik begrijp dat en ik respecteer dat. U ziet dat als uw werk. De vraag is natuurlijk wel: wiens waarheid?’
‘Er is maar één waarheid,’ zei Ridder.
‘Ik kan u waarschijnlijk niet van het tegendeel overtuigen, al zou ik willen, maar ik zal u een verhaal vertellen. Wáárgebeurd, overigens.’
‘Een groep landmeters ontdekte eind jaren zeventig aan een rivier midden in het oerwoud van Afrika bij toeval een stam die nog niet eerder in aanraking was geweest met de moderne beschaving. De mensen leefden nog zoals hun voorouders. Het was een unieke gelegenheid, dus de wetenschap, de antropologen voorop, schreven er hun boeken en tijdschriften mee vol. Cameraploegen volgden, CNN, National Geographic. Een damesclubje in het zuiden van de Verenigde Staten zag een uitzending en besloot tot een inzameling voor het goede doel. U kent het wel: wij hebben het goed, en dus moeten we uit schuldgevoel de minderbedeelde medemens helpen. Een lokale omroep nam de actie over. De opbrengst werd, na overleg met deskundigen, beschikbaar gesteld voor het slaan van putten voor schoon drinkwater.’
‘So far so good. Tien jaar later volgden alarmerende berichten. Honderden kilometers stroomafwaarts spoelden verminkte lijken van stamleden aan. Een overlevende getuigde over onderlinge vetes en strijd. De dorpjes langs de rivier zijn verlaten en verwoest. Wat was er gebeurd? De wetenschappers kwamen, een onderzoek volgde. Getuigen werden gehoord, feiten moesten boven tafel, er werd sporenonderzoek gedaan. Het moet u, als politieman, bekend in de oren klinken. Op zoek naar de waarheid.’
Ridder zweeg en wachtte af.
‘Uiteindelijk was er maar één conclusie mogelijk, hoe afgrijselijk die ook was. Door de aanleg van waterputten in het dorp hoefden de vrouwen van de stam niet meer naar de rivier. Dat scheelde ze elke morgen sjouwen met zware kruiken. Toen de vrouwen nog water haalden, ontmoetten ze de vrouwen uit de andere dorpjes en ze wisselden nieuwtjes uit en roddels. Ze vertelden elkaar over geboortes, ziekte- en sterfgevallen, over de bewegingen van de dieren, de opbrengst van de jacht, de oogst. Ze vroegen elkaar om hulp, organiseerden samen feesten. Die gesprekken bij de rivier hielden de gemeenschap bij elkaar. Tot wij – de wetenschap, de beschaafde wereld, de goede bedoelingen – ons ermee kwamen bemoeien. We sloegen waterputten. De vrouwen hoefden niet meer naar de rivier, de stammen vervreemdden van elkaar. Nieuwtjes werden niet meer uitgewisseld. Jaloezie en afgunst deden hun intrede. Als er nu iemand ziek werd of een dier kwijtraakte, of als de oogst tegenviel, dan kregen de vreemdelingen van het andere dorp de schuld. Er was geen mechanisme meer om te deëscaleren, dankzij wetenschappers en goedbedoelende oude dametjes. Uitgemoord om schoon water. En schone handen. Dus zeg me, inspecteur Ridder, naar welke waarheid was u op zoek?’
Zijn stem schalde door de zaal.
‘Er is zelden over een onderwerp zoveel gelogen als over de waarheid.’
Wie had dat gezegd? Napoleon? Grant wist het niet meer. Het maakte verdomme ook niet uit – het was waar, en daar ging het om.
‘Je mag in dit land zeggen wat je wilt, totdat je iets zegt dat de meerderheid niet wil horen. Land of the free, home of the brave? Laat me niet lachen!’
Hij schraapte zijn keel. Zijn tong voelde aan als schuurpapier. Voorlopig was hij nog niet klaar hier. Daar stond Adam in de coulissen, achter een luidspreker als een bang konijntje. Grant maakte een drinkgebaar met zijn hand en Adam snelde weg.
‘Als men de waarheid zoekt, moet men geen stemmen tellen.’
Leibniz, dacht Grant.
‘We zijn geobsedeerd door de meerderheid. Terwijl we allemaal weten wat de meerderheid wil: miljonair worden, lage benzineprijzen en geen belasting betalen.’
Hij pauzeerde en keek in het donkere gat van de zaal. Vierhonderd man sterk, heel Washington verzameld, muisstil in het donker. Niets, hoorde hij – niets dan de echo van zijn eigen stem. Niemand die met hem in debat ging. Niemand die hem onderbrak. Niemand had iets in te brengen. Uiteraard niet: sinds het ongeluk, sinds de rolstoel, was hij meubilair geworden.
Adam stond plotseling naast hem in de spotlight, met een glas in zijn hand; hij was stilletjes het podium opgeslopen, als het schoothondje dat hij was.
Grant legde de microfoon in zijn schoot, negeerde de schelle fluittoon die kort uit de luidsprekers klonk, pakte het glas en dronk. Hij wachtte tot Adam het toneel weer had verlaten, met de staart tussen zijn benen. Hij was omringd door angsthazen.
Met de nagel van zijn vinger tikte hij tegen de microfoon. Hij glimlachte om de oorverdovende krak!: alsof iemand het in zijn hoofd zou durven halen zijn geluid weg te draaien.
‘Maar we hebben toch de pers, hoor ik u zeggen? De vrijheid van meningsuiting? En de vrije pers waakt! En ik zeg u: dat is een leugen! De media zijn niet op een heroïsche zoektocht naar de waarheid. Ze willen oplages en kijkcijfers! De nieuwsuitzendingen openen niet voor niets met spectaculaire beelden van bosbranden en aardbevingen of achtervolgingen op de snelweg. Ook de zogenaamd onafhankelijke pers draait mee in het circus van de meerderheid. De meerderheid wil bosbranden en schandalen en dus is dat wat ze elke dag krijgen voorgeschoteld. Als er al commentaar wordt geleverd dan moet het in een soundbite van tien seconden, want daarna moeten we weer terug naar de reclame. Of het weerbericht.’
Grant hoorde in de verte iemand kuchen en werd zich – een seconde – bewust van de zaal.
Amerikanen willen liever sensatie en schandaal dan inhoud, dacht hij, en de media weten precies hoe ze die behoefte moeten bevredigen. Kijk naar wat ze met Forsythe hadden gedaan: zijn hartaanval in één regeltje op pagina 50 weggemoffeld; maar een foto van zijn huilende vrouw – nog nooit iets gepresteerd behalve die tranen – op de voorpagina!
Niemand zei het meer hardop, uit angst voor de gevolgen, uit angst voor de polls, uit angst voor de herverkiezingen, uit angst tegen schenen te schoppen. Maar het land was ziek, door en door verrot. Ziek…
…als zijn eigen lichaam.
* * *
Aan de ronde tafel in het centrum van de balzaal kon Conny haar tranen niet langer bedwingen.
Ze zag haar vader op het podium in die eenzame lichtbundel, zonder zijn rolstoel te zien of zijn ingeteerde lichaam. Wat ze zag was een legende. Ze luisterde naar hem, zonder de woorden te horen of de rauwheid van zijn stem. Ze keek naar hem op en voelde hoe hij vanaf het podium in die eenzame lichtbundel de enorme balzaal moeiteloos vulde.
De tranen kwamen. Tranen om zijn verdriet. En van opluchting dat de avond die zij voor hem had georganiseerd zo voorspoedig was verlopen. Dit was waar ze het voor had gedaan.
Michel Trésor was realist genoeg om te weten dat hij er was ingetrapt, en sportief genoeg om het zonder protest te accepteren. Het groentje van de afdeling zijn was tenslotte tijdelijk; en de rituelen van ontgroening waren net zo belangrijk als hoe hij erop reageerde.
‘Wat is jouw sterrenbeeld, Trésor?’ had de chef gevraagd.
‘Tweeling, patron,’ was zijn antwoord geweest.
‘Mooi, dan heb jij weekenddienst.’
Dus hier zat hij: zondagochtend, in zijn eentje – in het appartement aan de Rue du Temple, op een steenworp afstand van de Place de la République – te luisteren naar zijn zingende buurman onder de douche.
Hij controleerde de instellingen van de digitale opname-apparatuur, knikte tevreden, en deed zijn koptelefoon af. Voor hem op de campingtafel stond voor tienduizenden euro’s aan de meest verfijnde technologie, terwijl een glas tegen de wand genoeg was geweest. Hoeveel terreurverdachten zouden er op dit moment in Parijs – in Frankrijk, in Europa, in de wereld! – op deze manier worden geschaduwd en afgeluisterd? Duizenden, ongetwijfeld. Met als resultaat miljoenen bestanden met snurk-, douche-, kook- en neukgeluiden, doorspekt met gesprekken over koetjes en kalfjes – code of niet – in alle denkbare Arabische dialecten. Serieus te verwachten dat de tolken van de veiligheidsdienst daar aanwijzingen uit zouden kunnen destilleren – laat staan bewijzen – was even hoopvol als hopeloos.
Een luide schok in de leiding markeerde het einde van de douchepartij. Trésor was de verdachte vrijdagavond pardoes tegen het lijf gelopen in de gang – ik stond voor de deur met de sleutel in mijn hand en hij kwam net naar buiten, dus wat moest ik, patron? – en ze hadden elkaar onwennig, maar niettemin vriendelijk gegroet.
Trésor zette de koptelefoon weer op en hoorde een kast opengaan, kleerhangers kletteren en een rits. Dames en heren, hooggeëerd publiek, zeer gewaardeerde luisteraars, wij vragen uw aandacht voor de zondagse aankleedgeluiden van Youssef Al-Ibn Hadassa, volgens zijn paspoort negentien jaar oud, pizza-koerier in het dagelijks leven en potentieel staatsvijand nummer een.
Trésor hoorde hem neuriën. Zo te horen had hij inmiddels schoenen aan, en was hij opnieuw in de badkamer. Een schroefdop, gevolgd door een plotseling kletsend geluid – aftershave, gokte Trésor. Opnieuw hoorde hij voetstappen. Was dat een slot? Rinkelende sleutels en een deur? De buitendeur? Voetstappen in de gang. Shit, Mohammed ging ervan door! Nee wacht, de voetstappen kwamen deze kant op.
Trésor stond op – de koptelefoon nog op zijn hoofd – en liep naar de deur. Terwijl hij zich naar het spionnetje boog, werd er aangeklopt.
‘Monsieur? Neemt u mij niet kwalijk, monsieur. Bent u daar? Ik moet me bij u komen melden?’
Trésor deinsde achteruit. Een plank kraakte luid onder zijn voeten. Merde! Hij was ontdekt! Opnieuw werd er op de deur geklopt. Na een korte aarzeling deed hij open – wat moest ik anders, patron? Hij stond voor mijn deur?
‘Goedemorgen, monsieur. Het spijt me dat ik u moet storen. Mijn naam is Youssef Al-Ibn Hadassa. En ik moet u vertellen dat ik van plan ben een zelfmoordaanslag te plegen. Ik kom mij bij u aangeven.’
Zijn tweelingbroer Joachim hield niet van laatkomers, maar Friedrich Kleber was laat: de straatlantaarns gingen al aan.
Hij werd gevolgd, hij wist het zeker. Zojuist bij McPherson Square had hij ze gezien – een tweetal, ogenschijnlijk diep in gesprek. Ze hielden er al jaren rekening mee – het hoorde er nu eenmaal bij, het was een risico van het vak, helemaal in Washington, het hol van de leeuw – en toch kwam het onverwacht.
Friedrich wist wat hem te doen stond: de afspraken die hij met zijn tweelingbroer had gemaakt voor juist deze situatie, liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Hij sloeg de hoek om, 15th Street in, en repeteerde de instructies in zijn hoofd.
Niet omkijken! Hij keek om. Aan de overzijde van de straat stond een vrouw – de kraag van haar regenjas hoog opgeslagen – zogenaamd te wachten bij de telefooncel.
Niet aankijken! Geen oogcontact! Een fractie van een seconde kruisten hun blikken.
Geen aandacht op je vestigen! Hij versnelde zijn pas en liep zo dicht mogelijk langs de huizen. Zijn hart bonsde in zijn keel. Zonder het te beseffen telde hij de huisnummers hardop af. Hij was geschrokken, natuurlijk, maar nu het eenmaal zover was, voelde hij ook de opwinding.
Ze wisten het. Wie? De CIA? De FBI? Secret Service? Wát wisten ze?
Alles, want alles was verraden.
De gedachte was alarmerend – door wie? een mol? – maar op een bizarre manier ook geruststellend. Hier ging het om, dit was het spel, de vijand was zichtbaar, en het was nu aan hem!
Terwijl Friedrich L-street overstak, voelde hij onwillekeurig in de zak van zijn colbertjasje. Even – een moment – kneep zijn maag zich samen in de overtuiging dat hij de sleutel was verloren. Bijna struikelde hij. In de verte zag hij de lamp op de eerste overloop al branden; het was hun geheime signaal voor ‘alles veilig.’
Een man met donkere hoed en een shawl om zijn nek en kin kwam hem tegemoet, als een willekeurige wandelaar – diep in gedachten verzonken – op weg naar huis. Hij probeerde nadrukkelijk – te nadrukkelijk, vond Freidrich – oogcontact te vermijden.
Leid ze weg van de anderen!
Friedrich hield de veiligheidsagent (want dat was het natuurlijk: Friedrich kon ze ruiken) staande, verrast en opgetogen, alsof hij een oude vriend ontmoette op een onverwachte plek. De man maakte aanstalten om het op een rennen te zetten, maar stopte toen Friedrich hem de sleutel toonde in zijn geopende hand.
De man knikte.
Hij frommelde de sleutel in het slot, deed een stap opzij. De agent keek naar binnen en sprak iets in een verborgen microfoon.
‘Joachim is boven,’ zei Friedrich. ‘Tweede deur links. Hij denkt dat ik het ben.’
‘Zo, teruggekeerd op aarde?’ zei Ridder. Hij zat tegenover Holts lege werkplek, en was blij zijn stem te horen.
‘Heb je zin om langs te komen?’ vroeg Holt. ‘Zaterdag?’
‘Dat lijkt me,’ begon Ridder. Een goed idee, wilde hij zeggen. Het was tijd voor een goed gesprek. Hij had vragen. En hij had nagedacht over…
‘Helen gaat koken voor ons,’ onderbrak Holt.
Helen, aha. ‘Nou…zaterdag gaat niet,’ zei Ridder.
‘Oké, zondag dan?’
‘Zondagavond?’
‘Ja, of volgende week, wanneer het jou uitkomt.’
‘Ik bel je wel,’ zei Ridder.
‘Oké. Doen, ja? We moeten contact houden. Toch?’
‘Wanneer kom je weer op het werk?’ vroeg Ridder.
‘Goed dat je het vraagt, was ik bijna vergeten. Ik heb vanmorgen een brief gehad van PZ, waarin staat dat ze mijn brief in goede orde hebben ontvangen. En dat ik mijn openstaande vakantiedagen moet opnemen voor mijn laatste dag. Voor het einde van de maand dus. En dat ik nog zesentwintig vakantiedagen heb, volgens PZ.’
Ik nog meer dan zeventig, dacht Ridder.
‘Dus ik had zitten terugrekenen. November heeft tweeëntwintig werkdagen, dus ik kom nog precies min vier dagen.’
Het was stil op de lijn.
‘Nou, dus dat…,’ Ridder schraapte zijn keel. Dat was het dan?
‘Ik kom nog wel even opruimen, natuurlijk en mijn spullen inleveren. Vandaar ook dat ik je belde, om je uit te nodigen. Ik wil dat we contact houden.’
‘O, aha,’ zei Ridder. Zijn hand beefde en hij hield zijn adem in.
Nog steeds stilte op de lijn. Hij zou nu kunnen zeggen dat hij Holt miste.
Maar hij zei: ‘Neem je je plant mee?’
‘Neem Archie Bunker, van All in the family,’ zei Jones.
Ze zaten in de unmarked SWAT surveillance-wagen, hij en Jones, en keken op de monitors naar de beelden van het huis aan de overkant van de straat. De gordijnen waren dicht, op de voorbijgangers na was er geen enkele activiteit waar te nemen. Onderwijl deden ze alsof ze de camera’s scherp stelden en de verbindingen controleerden, maar in werkelijkheid hadden ze dat al twee keer gedaan, routineus check and double-check, onafhankelijk van elkaar, precies volgens de voorschriften.
‘Archie Bunker,’ vervolgde Jones, ‘mag de meest verschrikkelijke dingen zeggen over negers.’
Smith hield er niet van als Jones het n-woord gebruikte, maar wist inmiddels beter dan er iets van te zeggen. Jones zag het als een blijk van kameraadschap, als een bewijs dat ze alles tegen elkaar konden zeggen.
‘Op prime-time national television ook nog eens. Het wordt na al die tijd – twintig jaar? dertig? – nog steeds herhaald, dus er zijn nog steeds kijkers, en we lachen er allemaal om. Minderheden worden openlijk beledigd in misschien wel de populairste tv-serie aller tijden.’
Volgens Smith was dat MASH, maar hij zei het niet. Hij keek op de klok en negeerde de druk op zijn blaas: altijd vlak voor aanvang van een actie met het speciale arrestatieteam had hij het gevoel te moeten plassen. Een druppel, wist hij uit ervaring, misschien twee, maar meer ook niet.
‘Terwijl ik straks niet in mijn hoofd moet halen om die Martino voor dagoboy of spaghettivreter uit te schelden. Dus waarom mag Archie Bunker wel wat jij en ik niet mogen? Weet je wat ik denk?’
Smith schudde zijn hoofd – uit gewoonte meer dan uit interesse. Het was de manier waarop Jones’ met de adrenaline omging: babbelen. Waarom duurde het ook zo godvergeten lang? Ze stonden hier nu een halfuur. In een ongemerkte, geblindeerde MPV tegenover het vermoedelijke schuiladres van een van de meest ongrijpbare huurmoordenaars van deze tijd – je kon net zo goed een fucking spandoek voor zijn raam hangen: “Martino, de cops staan voor de deur. Vlucht!”
‘Motief, dat is waarom,’ zei Jones. ‘Omdat de motieven van de makers van All in the family goed zijn, mogen zij discrimineren, juist om discriminatie aan de kaak te stellen. Snap je?’
Motief, vond Smith, was interessant voor dromers en voor leugenaars. En voor rechtbanken die een misdadiger met een slechte jeugd dus minder zwaar straffen. Smith was een smeris, al zijn hele leven. Het was niet zijn werk om te begrijpen waarom, maar om te weten wie en hoe. Motief werd overschat, onder invloed van de tv-series en speelfilms, waarin gehaaide advocaten de jury toespraken in onrealistische rechtbankscènes.
‘En zo zit het dus ook met onze aanwezigheid in Irak en Afghanistan aan de ene kant, en Al’Qaida aan de andere kant. Het enige verschil tussen ons is motief.’
Smith knipperde met zijn ogen. Had hij het goed verstaan? Wát zei Jones daarnet? Was Jones helemaal gek geworden? Hij opende zijn mond om het hem te vertellen, toen op de monitor voor hem de huisdeur open ging.
Roberto Martino – op sloffen, in zijn ochtendjas, zijn benen bloot, zijn haar in de war, overduidelijk net wakker – kwam naar buiten en stak zonder op het verkeer te letten de straat over. Hun kant uit.
Zo te zien ongewapend.
‘Ojezus,’ zei Jones.
Smith keek links, rechts, links op de beeldschermen maar op beide zag hij de levensgevaarlijke huurmoordenaar die ze waren komen arresteren, alsof hij slaapwandelde, op weg naar de geblindeerde MPV. Toen hij niets anders kon zien dan kleurig badstof (op de linker monitor) en borsthaar (op de rechter), ging de achterdeur van de surveillancewagen open.
Smith en Jones – al jarenlang een onafscheidelijk duo en alle voor de hand liggende grappen waren al gemaakt, thank you kindly – draaiden op hetzelfde moment hun hoofd om.
‘Heren, goedemorgen. Ik zag jullie staan en ik dacht “dat bespaart me een loopje.”’
Roberto Martino, een van de tien meest gezochte misdadigers van de Verenigde Staten, stapte in, sloot de deur achter zich, vond een plekje en sloeg zedig zijn ochtendjas dicht.
‘Naar het bureau, of niet soms?’ zei hij. ‘Nee, ach, natuurlijk niet.’ Hij stak zijn armen naar ze uit, met de polsen gekruist. ‘Eerst de boeien. En mijn rechten. Stom van mij.’ Het klonk alsof hij oprecht hoopte dat ze hem zijn vergissing zouden vergeven.
‘Zij was mijn beste vriendin. We groeiden samen op. Of ik logeerde bij haar of zij bij mij. We waren onafscheidelijk.’
Helen keek hem aan.
Ze lagen samen in bed, Holt zapte met het geluid uit. Luisterde hij naar haar? Waar was hij met zijn gedachten? Soms had ze geen idee.
‘Je praat over haar in de verleden tijd,’ zei Holt, alsof hij haar gedachten raadde.
‘Het was… is op en neer. Haat en liefde. We zijn hetzelfde maar ontzettend verschillend. Soms zien we elkaar maanden lang dag en nacht. En praten we over alles. Urenlang. En dan is het weer een jaar niets. Geen kaartje, geen telefoontje, niets. Dan zijn we allebei te trots. We gingen samen uit, hadden dezelfde vriendjes, om en om en soms ook tegelijkertijd. We probeerden van alles uit, deden alles samen. Hadden aan een half woord genoeg. Tot het ineens weer helemaal mis ging…gaat. Dan botsen we om iets onbenulligs dat plotseling heel groot blijkt te zijn.’
Hollen of stilstaan; alles of niets; zwart of wit.
‘Zij… was altijd op zoek naar iets. Wilde haar eigen fouten maken. Dat snapte ik wel, maar godallemachtig hoe vaak? Zij maakte de dingen veel moeilijker dan ze waren. Een echte tobber, hopeloos. Dat gedoe met haar ouders. En dan die verkeerde vriendjes nog.’
‘Fout,’ zei Holt. Hij zette de tv uit en legde de afstandsbediening tussen hen in op het dekbed.
‘Wat?’
‘Fout vriendje. Ik heb er nog om gewed met Ridder.’
‘Mis je hem?’ vroeg ze.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Het werk in elk geval niet. Het klinkt allemaal zo avontuurlijk. Wat voor werk doe je? Ik ben bij de politie. Goh, spannend, denkt iedereen. En afwisselend.’
‘Was het dat dan niet?’
‘Ik weet nog wel dat ik in het begin het gevoel van macht mooi vond. Je ziet het in de ogen als je ergens een ruimte binnenkomt. Oei, politie.’ Hij keek haar aan. ‘Maar weet je wat het mooiste was? Samen aan de slag. Wij samen, Ridder en ik. Een stukje rijden. Boeven vangen. Wij tegen de rest. Dat was het mooiste.’
Was, hoorde Helen, verleden tijd.
‘We hadden een keer een lijst gemaakt, van woorden die we niet meer mochten zeggen. De lijst hing aan de muur, en iedereen die één van de woorden op de lijst uitsprak, moest een boete betalen. Een gulden in de pot, iedereen, of ze nu van de lijst afwisten of niet. Gebeuren stond er op, uiteraard. En stukje. We hadden een collega namelijk die het elke twee zinnen gebruikte: een stukje gebeuren. Klantvriendelijk, stond er ook op. En productaanbod. En resultaatscontract. Van die woorden. Na twee weken moest de lijst eraf van hogerhand. Ze vonden dat het afgelopen moest zijn met dat kinderachtige gedoe.’
‘Doe je dat nou bewust?’ vroeg Helen.
‘Wat?’
‘Geen antwoord geven op mijn vraag. Mijn vraag was of je hem miste.’
‘Ja,’ zei hij. ‘Ik weet dat dat de vraag was.’
Er zat een geel plakkertje op zijn bureau:
Comm. op zoek naar je (8.15 uur)
Ridder keek op zijn horloge – tien over negen, de commissaris naar hem op zoek, uitgerekend op de dag dat hij een keer om tien over negen komt – en hing zijn jas op.
Liep terug.
Ging zitten.
Bekeek het rapport van de nachtdienst. Een vechtpartij. Overlast van junks bij het station. Een poging tot straatroof. Een zware mishandeling in een bar. Een overtreding van de wapenwet. Een burenruzie. Een brand op een industrieterrein.
Kwart over negen.
Hij pakte het geeltje en stond op, liep de gang in en de trap op naar de bovenste verdieping. De commissaris liep hij in de gang tegen het lijf. Hij droeg zijn blauwe ME-coltrui met schouderstukken en had zijn pijp – die hij van de Arbo niet meer mocht aansteken – tussen zijn tanden geklemd.
‘Ah, loop even mee,’ zei hij.
Bob de Boekhouder noemde Holt hem. Nee, zo had Holt hem genoemd.
De commissaris sloot de deur en liep naar zijn bureau.
Ridder bedacht dat het pas de tweede keer was dat hij hier binnen was.
‘Alles goed, wat?’ zei hij, zonder Ridder aan te kijken.
‘Alles goed,’ antwoordde Ridder. ‘Dank u, prima.’
‘Maar ga zitten, ga zitten.’
Het was koud in de kamer. Ridder zag dat het raam open stond. Het was dus waar, dacht Ridder: hij rookte nog stiekem.
‘Vreselijk vreselijk,’ mompelde de commissaris, bladerend in een dossier. Het klonk als een slissend ‘feestelijg feestelijg’ door de pijp in zijn mondhoek. Hij sloot het dossier en legde het opzij.
‘Maar hoe is het met jou? Gesprekken met counselling helpen, wat?’
Ridder schraapte zijn keel. ‘Ja, nou, ik…’
‘Hoe gaat het écht?’
Ridder wist niet zeker of het nu wel een vraag was. De commissaris wachtte in elk geval niet op antwoord.
‘Ik maak me zorgen, wat? Wíj maken ons zorgen. Ik weet natuurlijk van niets en zo, van wat jullie allemaal zoal bespreken, wat? Dat is vertrouwelijk tussen therapeut en patiënt.’ Hij knauwde op zijn pijp, naar het plafond kijkend, en heroverwoog het laatste woord. ‘Cliënt.’
Przewalski, dacht Ridder. Vorige week had Ridder gezegd dat het wel genoeg was zo, overdreven, klaar, aanstelleritis. ‘Laten we duidelijk zijn,’ had ze geantwoord, ‘als u niet meewerkt, kan ik u niet helpen. Zo simpel is het. En ik wil u niet in moeilijkheden brengen. U kent de regels waarschijnlijk beter dan ik.’
De commissaris schreef iets op een papiertje, zijn pijp draaide mee op het ritme van zijn pen.
Aan de wand van het kantoor hingen grafieken en diagrammen in felle kleuren. Statistieken, dacht Ridder. Resultaten. Vergelijkingen met andere grote steden en met voorgaande perioden. Bob de Boekhouder.
‘We moeten zuinig zijn op onszelf, wat? Ziekteverlof, onbetaald verlof, met behoud van dienstjaren, allemaal mogelijk. Even een tijdje bijkomen? Ik onderschat het niet.’
De commissaris las wat hij had geschreven, en legde het blaadje zorgvuldig opzij. Hij rangschikte net zo lang tot hij tevreden was dat het recht lag.
‘Dus tja.’ Hij stond op en Ridder volgde. ‘Ik heb het al met Klaver besproken. Misschien eens een hobby waar je eindelijk wat tijd voor wilt, een cursusje misschien ergens, wat? Allemaal goed. Zo, fijn dat je even tijd had voor me. En dat we even hebben gepraat. Moeten we vaker doen. Deur staat altijd open en zo. Doe er je voordeel mee. Denk goed om jezelf. Je moet nog langer mee, wat?’
Ridder kreeg een hand bij de deur en een knikje en liep terug naar zijn bureau, waar hij de plant – die hij Holt had gegeven voor zijn verjaardag – water gaf.
‘En dat staat allemaal al in jouw rapport?’ vroeg zijn baas, de Deputy Director.
‘Het rapport van Steiner en mij, sir,’ corrigeerde Bronski automatisch. Een oude gewoonte, in onbruik geraakt, maar Bronski hechtte eraan: ere wie ere toekomt.
‘En dus?’
‘En dus niets. Het leek me raadzaam het persoonlijk onder uw aandacht te brengen, aangezien…’
‘Laat me raden. Omdat je bang bent dat het anders in de stapel verdwijnt. Is dat het?’
‘Ik dacht dat we er misschien…’
‘Misschien wat?’
‘…zelf achteraan moesten? Ik bedoel omdat ze bij DHS…’
‘Ja, ja DHS.’ Zijn baas wist wat Bronski vond van de nieuwe richtlijnen en de manier waarop de FBI geacht werd samen te werken met het nieuwste law enforcement-troetelkind DHS, het Department of Homeland Security. Volgens Bronski hadden ze bij DHS te veel bevoegdheden, ego’s, en grote bekken, en te weinig hersens.
‘Weet je wat het met jou is, Stanley? Je hebt helemaal gelijk. Honderd procent, honderdtien zelfs. Het is een patroon. Een verdacht patroon. Maar Stanley Bronski, als ik zo vrij mag zijn, mag ik jou dan eens wat gratis advies geven?’
‘Sir?’ vroeg Bronski. Hij liep lang genoeg mee om te weten wat het gebruik van zijn volledige naam betekende.
‘Heb toch eens wat minder goddamned vaak gelijk. Wij doen ons werk, en zij doen hun werk, oké?’
‘Yes, sir.’
‘Jij bent analist, dus jij analyseert. En je maakt je rapport. En je stuurt het in. Ja? En dan is het out of your hands.’
‘Yes, sir.’
‘Mooi, dan zijn we het daarover eens. Anything else?’
‘No, sir, thank you, sir,’ zei Bronski, tegen de ingesprektoon. Hij hing op en dacht opnieuw aan zijn klassiekers – aan Patton, David en Goliath, Troje – en aan Don Quichot: De zonde van de geest was zelfvoldaanheid.
De Deputy Stafchef van het Witte Huis legde de telefoon opzij, en zijn lijst, en keek vanaf de achterbank van de limo naar de brede laan, omringd door het groen van bomen en parken, gebouwen, musea, monumenten, gedenkstenen, standbeelden. Hij zag wandelende toeristen, gebogen over een plattegrond, zittend op brede trappen of op de rand van de fontein. Groepen stapten in de bus en groepen stapten uit de bus, reisleiders angstig volgend naar de volgende niet te missen photo opportunity waar op commando de camera’s werden geheven: het Witte Huis, het Washington Monument, het Vietnam Veterans Memorial, verderop het Lincoln Memorial.
“Nieuwgebouwd oud” had iemand het eens genoemd, of “oudgebouwd nieuw”. Tweehonderd jaar geleden was de stad zorgvuldig gepland en opgebouwd met één doel in het achterhoofd: imponeren.
De hoofdstad van het machtigste land ter wereld, Washington, zonsondergang, begin november – na de warmste en langste zomer sinds mensenheugenis leek de herfst in alle hevigheid losgebroken – was prachtig.
Ze stonden stil bij de oprit naar de brug.
Gisteren had hij de vergadering voorgezeten waar de verzamelde law enforcement community, het puikje van het land, de trots der natie, hem had verzekerd dat ze van niets wisten. Zelfs nadat hij de stenotypiste had weggezonden, en verordonneerd dat niemand van de deelnemers nog notities mocht maken, en ze stuk voor stuk hun tevredenheid hadden uitgesproken over de vruchtbare samenwerking, het informele karakter en de collegiale information sharing atmosphere van de vergadering, wisten ze niets. Elf in een week en ze wisten van niets!
Vandaag belde de Stafchef zijn contacten in het bedrijfsleven, onder absolute geheimhouding, uiteraard. Het was te laat om paniek te voorkomen, wist hij. Maar in godsnaam hoopte hij dat het beperkt bleef tot het handjevol vertrouwelingen van de regering dat hij tot dusver had benaderd. Hij huiverde terwijl hij dacht aan de wakkere journalist die als eerste de vraag zou stellen. En aan wie. Laten we in godsnaam hopen dat we tegen die tijd een idee hebben, dacht de Stafchef, en dat ze de president niet weten te verleiden tot een wisecrack.
De limo reed over Potomac Parkway richting het noorden. Links passeerden ze Georgetown. Na tien minuten bereikten ze de afslag.
De Stafchef pakte zijn lijst en zijn telefoon. Vooruit, nog eentje. Dearborn, een voormalig kolonel van de DIA, de Defense Intelligence Agency, Desert Storm-veteraan, meervoudig onderscheiden, was tegenwoordig een van de beste lobbyisten van de stad. De Stafchef en hij kenden elkaar al lang, maar het contact was verwaterd. Recht voor zijn raap, wist de Stafchef. Meer dan uitstekend ingevoerd. ‘Hell, als je iets gedaan wilt krijgen op het Pentagon,’ had Rumsfeld ooit over hem geroepen, ‘kun je beter Dearborn bellen dan mij.’
De Stafchef toetste het nummer in. Terwijl hij wachtte op verbinding en een secure line, mompelde hij niet voor het eerst en niet voor het laatst: ‘What the fuck is going on?’
Harl zat in het lokaal op de begane grond van het schoolgebouw.
Hij verbaasde zich er niet langer over hoeveel informatie er on line beschikbaar was – in de nieuwe wereld van enen en nullen. Zelfs grote steden als New York (www.nyc.gov) en staten als Texas (www.txdps.state.tx.us) hadden hun eigen lijsten misdadigers, terroristen, voortvluchtigen.
Je moest alleen weten waarnaar je zocht. Hij grinnikte: hij werd een echte surfer. De Surfer King van Ecuador!
En niemand wist het nog. Niemand, behalve hij. Hij was de enige die zag in het spreekwoordelijke land der blinden. Op dat moment keek hij om, zonder te beseffen waarom, en zag – toeval! – de poster.
De poster die hem al die jaren had vergezeld en die alle reorganisaties en teleurstellingen en verhuizingen had overleefd. Pas nu wist hij waarom.
Hij had de poster van LT gekregen, hoe symbolisch! Een uitvergrote cartoon was het, van een wetenschapper in een witte jas – ooit succesvol en geroemd, maar nu verstoten, geschoffeerd, geridiculiseerd – turend door zijn telescoop. Zich vastklampend aan zijn wetenschap tot het einde van zijn leven, tegen beter weten in. Want hij hield vol en wist zeker:
THEY ARE!
THEY MUST BE!
Net als Harl zelf had de wetenschapper zijn leven lang geloofd. Als enige. Hij en niemand anders. Hij was het die alles in beweging had gebracht. Tegenslag op tegenslag en onmetelijke onwetendheid en arrogantie van regeringen, derderangs ambtenaren en boekhouders had hij overwonnen. Omdat híj nooit had getwijfeld. Harl wist, net als de man in de cartoon, dat er bewijs was.
They are.
De wetenschapper op de poster.
Galileo Galilei.
Jonathan Harl.
Als enige.
Ja, wist hij. Weldra zou de nieuwe wereld – en het bieden – beginnen.
‘Aanslag op Franse president verijdeld’
Van onze correspondent
PARIJS -- De Franse politie heeft zondagochtend in het centrum van Parijs een persoon gearresteerd op verdenking van terroristische activiteiten. Het zou gaan om een man van tussen de 18 en 35 jaar, van Algerijnse of Tunesische nationaliteit. De verdachte, een bekende van de politie, werd al enige tijd geschaduwd.
‘We hebben de overtuiging dat hij op zeer afzienbare termijn tot uitvoering zou zijn overgegaan,’ aldus een woordvoerder van de politie. Zonder nader in te willen gaan op speculaties, verklaarde de zegsman desgevraagd dat het ‘niet ondenkbaar’ was te veronderstellen dat aanslagen op hooggeplaatste personen binnen de Franse regering, mogelijk zelfs op president Chirac, werden verijdeld.
De arrestatie vond plaats in de vroege morgen, tijdens een operatie van de speciale politie-eenheid belast met nationale veiligheid en terreurbestrijding.
Niet bekend is of de verdachte contacten onderhield met het terreurnetwerk dat gewapende overvallen zou hebben willen plegen om terroristische activiteiten te financieren. Begin dit jaar had de binnenlandse veiligheidsdienst van Frankrijk voor dergelijke aanslagen gewaarschuwd.
De woordvoerder van de politie wilde niet bevestigen of de verdachte banden had met zware criminelen en de zogeheten “Groupe Action Algerie”, die midden jaren negentig steun gaven aan terroristen. In die periode werd Parijs door een reeks terreuraanslagen van Algerijnse fundamentalisten opgeschrikt.
De arrestatie vindt plaats op het moment dat de Franse regering een antiterrorismewet ontwerpt, die voorziet in uitbreiding van de bevoegdheden van de politie. Ook zou de periode waarin een verdachte in hechtenis kan worden gehouden zonder tussenkomst van de rechter, aanzienlijk worden verlengd.
Eerder deze maand bracht de Amerikaanse speciale gezant voor terrorismebestrijding, McHendry, een bezoek aan de Franse parlementaire commissie voor veiligheidszaken. Na afloop van de ontmoeting werd in een gezamenlijke slotverklaring een oproep gedaan om de meningsverschillen uit het verleden terzijde te schuiven, en de handen ineen te slaan in de strijd tegen het internationale terrorisme, dat, aldus McHendry, ‘alle landen van de vrije wereld, niet alleen de VS’ bedreigt.
Momo en zijn oom Eduard speelden schaak, maar anders dan andere keren, leek zijn oom er niet bij met zijn gedachten. Hij knauwde nooit aan zijn nagels, vergat nooit zijn brandende sigaret. Maar het meest opvallend was dat zijn oom vanavond geen verhalen vertelde – over vroeger, en over hoe hijzelf schaak had leren spelen.
Als het zo doorging, wist Momo, zou hij vrij eenvoudig winnen in zes zetten. Momo wilde niet winnen, niet op die manier, niet zo snel. Want niet lang nadat de partij zou zijn afgelopen, zou zijn oom vertrekken, wist hij. Naar het noorden, waarschijnlijk.
Momo vroeg zich af of het iets te maken kon hebben met de naakte vrouw die hij vanuit zijn helikopter had zien liggen. Hij dacht sindsdien vaak aan haar, vooral vlak voor hij ging slapen, en in zijn dromen.
Maar het beeld – de naakte vrouw onder hem, haar armen en benen gespreid – was niet langer opwindend, integendeel.
Momo had flarden opgevangen van een gesprek tussen zijn grootmoeder en zijn oom. Zijn oma had gezegd hoe gevaarlijk het was dat oom Eduard haar had gezien. Haar de hand geschud nog wel! Besefte hij dan niet wat er had kunnen gebeuren? Alles had mis kunnen lopen!
Op dat moment had Momo het nog niet begrepen – en het was niet netjes af te luisteren – maar later had hij zich plotseling gerealiseerd dat ze spraken over de vrouw die hij had zien liggen op het dak van het oude schoolgebouw.
Plotseling wilde Momo, normaal gesproken dol op elke minuut die hij met zijn oom doorbracht, hier niet langer zijn. Overal maar niet hier aan het schaakbord tegenover zijn onheilspellend zwijgende oom. Tegelijkertijd voelde hij de onweerstaanbare behoefte om op te biechten dat hij haar ook had gezien.
Maar iets weerhield hem (want de naam van zijn moeder werd niet meer genoemd).
Zij komt, dacht hij.
Zij van het dak.
Hij had haar gezien vanuit de lucht. Naakt nog wel. En daardoor kon alles mislopen.
Plotseling voelde hij tranen achter zijn ogen prikken.
Hij slikte de brok in zijn keel weg en veegde over zijn ogen.
‘Momo?’ vroeg zijn oom, zijn stem – waar Momo een beschuldiging had voorspeld – vol onverwachte tederheid.
Momo durfde niet op te kijken. Hij wilde dat hij niet had gekeken. Schaamde zich voor zijn opwinding toen hij haar had zien liggen, en voor de manier waarop hij later over haar had gefantaseerd en opgeschept tegenover Felipe.
‘Shh, het komt goed,’ zei oom Eduard.
Nee, dacht hij, het was niet goed. Het was fout. Een zonde. Het was ondenkbaar en afgrijselijk wat hij had aangericht. Door hem was de voorspelling voor eeuwig gedoemd – alles verloren, alles tevergeefs. Híj had het gedaan, besefte hij nu, meer nog dan zijn moeder (wiens naam niet meer werd genoemd).
Met zijn eigen ogen.
‘Momo?’
LT zat op het stoeltje tussen de verhuisdozen, gebogen over de laptop – zijn knieën klem tegen het tafeltje – en zag de poster.
THEY ARE!
THEY MUST BE!
De wetenschapper die na al die jaren nog steeds geloofde en tuurde naar de ruimte. Een bijna karikaturale professor, een kalende oude man, in een witte laboratoriumjas, zijn mond in een grimas. Op zoek naar het bewijs.
Hij had de poster laten maken, lang geleden en aan Jonathan gegeven.
‘Er ontbreekt een stuk.’
Hij wees en zij keek.
‘Het is allemaal lang geleden. Jij bent er waarschijnlijk te jong voor. Maar toen ik klein was, was het allemaal echt. De Koude Oorlog. Toen we nog een zichtbare vijand hadden. Het Rijk van het Kwaad noemde Reagan het. De dreiging van de atoombom. Ik moet zes, zeven zijn geweest, toen ik dit stripverhaal las. Een wetenschapper, een kaal hoofd, puntbaardje, brilletje. Witte jas. In zijn laboratorium was hij op zoek naar bewijs voor buitenaardse beschavingen. Hij bestudeerde zijn hele leven lang het heelal, door een enorme telescoop, de krachtigste telescoop ter wereld. Steeds verder kon hij kijken, steeds verder drong hij door. Zijn wetenschappelijke publicaties werden in alle talen vertaald. Uit alle windstreken kwamen de meest briljante geleerden en studenten bij hem in de leer. Hij besteedde zijn leven aan het vinden van het bewijs. Hij wist dat ze er waren, deze buitenaardse beschavingen. Hij had alleen het bewijs nog niet gevonden. Zijn overtuiging werd krachtiger, zoals zijn telescoop. En tegelijk raakte hij, met het voortschrijden van de jaren, zijn wijsheid en ervaring, en met alle roem die hij vergaarde, meer en meer verbitterd dat hij het bewijs nog steeds niet had. Waar hij zich vroeger niks aantrok van collega’s die grappen over hem maakten, of de wetenschappelijke pers die hem nauwelijks nog serieus nam en hem afschilderde als een fantast, begon hij aan het einde van zijn leven steeds harder terug te slaan. Hij snauwde tegen collega’s en leerlingen, sliep steeds korter, steeds onrustiger, verwierp zijn vroege theorieën, verscheurde zijn manuscripten. Hij was zijn leven lang steeds dichter bij het antwoord gekomen, maar zijn boosheid om het falen overheerste uiteindelijk alles.’
Hij keek haar aan.
‘Still here,’ zei zij.
‘Het werd hem steeds duidelijker dat hij het bewijs niet zal vinden, snap je? Hij zocht zijn hele leven, wist zeker dat het bestaat, maar hij heeft het niet gevonden. In die laatste verbittering maakte hij alles kapot wat hij had opgebouwd: zijn reputatie, zijn boeken, zijn volgelingen. Deze poster heb ik laten maken van de laatste bladzijde van het stripverhaal. Het is zijn sterfscène. In het midden van de tekening staat de wetenschapper zoals we hem kennen, in zijn witte jas, in het laboratorium, turend door zijn telescoop die reikt voorbij de rand van de tekening in de rechterbovenhoek van de pagina. Zijn schouders hangen, hij is aan het einde. They are. They must be. En dan, op die laatste pagina, zien we links onder nog een telescoop. Een telescoop die gericht is op de wetenschapper. Van onder af.’
‘Dat is het stuk dat ontbreekt. Jonathan heeft er een stuk af laten halen. Snap je het? Van onder af! Hij wordt bekeken door een telescoop. Die buitenaardse beschaving die hij zijn hele leven heeft gezocht is niet ergens ver weg in het heelal, nee! Die buitenaardse beschaving bekijkt hém, zoals hij naar hen zoekt, door een telescoop. Zij hebben hém gevonden.’
‘Nou, dan laten we hem toch lekker zitten. Uiteindelijk gaat hij wel weer weg,’ zei de chief.
‘Ja, dat dacht ik ook, maar hij komt daarnet naar me toe en zegt dat hij ook bekend is onder een andere naam. Atwah Izz-Al-Atwah. En die naam kennen we wel, die hangt hier aan de muur op de FBI-lijst van MOST WANTED TERRORISTS.’
‘Wát.’
Delaney grijnsde. Het was nog wel geen vraagteken, maar veel scheelde het niet. ‘Hij zegt overigens dat het niet zijn echte naam is, maar de naam waaronder hij bekendstaat in de beweging. De Rode Augustusmaan.’
‘En de foto.’
‘De foto die we hier hebben hangen is een FBI-mugshot uit 1989, met baard en een hoofddoek. Ernaast zo’n ding waarop ze hem met de computer tien jaar ouder hebben gemaakt. Ik zou hem niet herkennen, maar wie ben ik.’
‘Oké, dus geen gek, maar een echte. Arresteren dus.’
‘Ik weet het niet. Ziet u, die lijst die hangt hier tegenover hem, midden in de hal. Hij heeft die naam natuurlijk gelezen, en dat bracht hem op het idee. Hij dacht: weet je wat, ik zeg gewoon dat ik dat ben.’
Het was even stil. ‘En hij zit nu nog in de hal.’
‘Hij is weer gaan zitten. Met zijn boodschappentas met papieren op schoot. Hij zit erbij alsof hij komt solliciteren.’
Stilte. En opnieuw een zucht. ‘Oké. Weet je wat, sarge, ik kom eraan. Geef me vijf minuten.’
Delaney hing op en draaide zich om. De man keek hem verwachtingsvol aan. Delaney knikte uit gewoonte en kreeg als dank een brede glimlach. Waarschijnlijk toch gewoon een weirdo, een van de duizenden verdwaalde zielen, dolend door de stad, met stemmen in hun hoofd, op zoek naar wat aandacht. Het was lastiger geworden sinds nine-eleven, vond Delaney. Alsof de grens tussen waakzaamheid en complete paranoia op die verschrikkelijke dag in 2001 volledig was verdwenen. Net als het melkpoeder in de kantine was vervangen door koffiemelk sinds de berichten over verdachte brieven met wit poeder. Iedereen was als de dood voor ricine, hoewel Delaney had gehoord dat het zaadjes waren van een onschuldige kamerplant.
Hoe dan ook, de chief mocht het nu verder uitmaken. Delaney schudde zijn hoofd en legde zijn aantekeningen opzij.
‘Sarge?’
Hij keek op. Kozinsky, van de avondploeg, wenkte hem.
‘Ik denk dat je dit moet zien, sarge.’
Delaney volgde hem de gang in en de hoek om, het trapje af richting de kantine en de kleedruimtes. Collega’s stonden in de deuropening. Was er een bijeenkomst waar hij niets vanaf wist? Hij drong naar voren. Alle ogen waren gericht op de oude televisie in de hoek. CNN. Hij zag een verslaggever op de trappen van een gebouw met pilaren. Een gerechtsgebouw, was Delaneys indruk.
‘…Sylvester, beter bekend als Alistair Craig Silver, werd onder andere gezocht voor de brute drievoudige moord op een sheriff en zijn twee zoons in Shreveport, Arkansas in 1991. De autoriteiten tastten al geruime tijd in het duister omtrent de verblijfplaats van Silver, een van de vijf most wanted-misdadigers van ons land.’
Op het scherm nu recorded earlier-beelden: een groep gewapende collega’s met bivakmutsen en blauwe kogelvrije vesten leidden een man – zijn hoofd onzichtbaar onder een trui – door een zijdeur een gebouw binnen.
‘Meest recent werd Silver gesignaleerd in Mexico in maart 1997. Sindsdien ontbrak elk spoor van de ter dood veroordeelde voortvluchtige.’
In beeld verschenen drie mannen die zich een weg baanden door een menigte journalisten, camera’s en microfoons. Washington this morning, luidde het onderschrift. ‘Het is voor de autoriteiten nog te vroeg om te bevestigen of te ontkennen dat er een verband bestaat tussen de aanhouding van Silver vandaag en de arrestaties van andere misdadigers en terroristen in de afgelopen maand, onder wie de terroristenleider Saed Fazul. Volgens nog onbevestigde berichten kwam Silver zich vrijwillig melden bij het consulaat van de Verenigde Staten op de Malediven. Er bestaat vooralsnog geen duidelijkheid omtrent Silvers beweegredenen. Volgens betrouwbare bronnen is dit niet de eerste aanhouding waarbij sprake is van – en ik citeer – “een opvallende en nog onopgehelderde mate van vrijwilligheid”.’
Delaney knipperde met zijn ogen. Hij wist niet zeker of hij het goed had verstaan.
Vrijwilligheid?
Hij keek opzij naar Kozinsky, die op zijn snor beet, zijn ogen strak op het televisiescherm gericht.
‘Het Witte Huis verklaarde in een eerste reactie dat er geen aanleiding bestaat om een nader onderzoek naar de beweegredenen te gelasten.’
Delaney zag in beeld de bekende perszaal van het Witte Huis. Achter het katheder stond een zwetende jongeman te luisteren naar een vraag die voor de kijkers niet te verstaan was. De woordvoerder bladerde tussen zijn papieren, terwijl hij antwoord gaf: ‘De aanhouding van Silver brengt het aantal bevestigde arrestaties in de afgelopen twee weken op zestien, waarvan acht in de Verenigde Staten. Vragen betreffende de zogenaamde mysterieuze omstandigheden kan ik om veiligheidsredenen niet beantwoorden. Wij feliciteren law enforcement agencies wereldwijd met deze serie doorbraken in de strijd tegen de georganiseerde misdaad en het wereldwijde terrorisme. Eens te meer tonen deze arrestaties aan dat de Verenigde Staten de strijd zullen winnen. Samen met onze bondgenoten uit de coalitie.’
Delaney realiseerde zich dat zijn mond openstond. Zestien? Een opvallende en onopgehelderde mate van vrijwilligheid? Hij draaide zich abrupt om en rende terug naar de hal.
De verwarde maar beleefde man met Arabisch uiterlijk die zich vanmorgen met twee plastic tasjes aan de balie had gemeld en bekend had dat hij het Empire State Building wilde opblazen, zat nog keurig op zijn plek.