To begin, zegt Stephen King, is het geheim van schrijven.
Het begint voor mij na vijftien jaar Oracle. Ik heb het gevoel dat ik een berg heb beklommen, maar eenmaal boven aangekomen mijn ogen niet durf te openen, bang voor de ruimte. Wat kan ik eigenlijk nog meer?
‘Wat wil je?’ is de vraag van Mac, de eerste en simpelste van alle, en meteen de lastigste. Het is de vraag die alles zal veranderen. Ik weet het antwoord niet (Mac weet overigens zekers van wel).
‘Wat zou het zijn als je het wel zou weten?’ vraagt René Kuiper - een onverwachte vraag.
Pieter Hemels' twijfelt niet. ‘Jij kunt alles, de vraag is of je het zelf gelooft'.
Ik maak een lijstje, met links wat ik al kan, en rechts wat ik nog niet kan. Links staat schrijven en spreken; het woord.
Rechts staat opera. En Carré. En een sprookjesboek.
Ik verzin een sprookje voor de kinderen. Verzinnen vinden ze fantastisch, beter dan voorlezen, hoe enthousiast ik Paul Biegels De Laatste Verhalen van Deze Eeuw ook blijf voordragen. Er was eens een ridder, overwinnaar van talloze veldslagen. Op een dag is de oorlog voorbij, en de ridder keert huiswaarts. In zijn geboortedorp herkent niemand hem meer, einde.
Mijn jonste dochter zit juichend in haar bed. Mijn zoon legpuzzelt verder, alsof het hem allemaal niets verbaast. Mijn oudste dochter zegt: 'Zo kan het niet eindigen, pap.' Kritiek die ik vaker zal krijgen.
De volgende dag tik ik vol goede moed het sprookje in op de laptop. Woorden verschijnen, zwart op wit. De ridder gaat zoals ik had verzonnen naar de oorlog, want vechten is alles wat hij had geleerd, alles wat hij kent en kan. Al doende worden zijn talenten en wapens afschrikwekkender. Na afloop begint hij volgens plan aan zijn tocht terug naar huis, tot hij halverwege aan de oever van een rivier staat. Rivier? Ik had helemaal geen rivier bedacht.
Deleten werkt niet. Een brug verzinnen ook niet. Wat ik ook probeer, de rivier blijft.
Het sprookje dat ik zonder moeite verzon en uit mijn hoofd vertelde, loopt eenmaal op papier totaal mis, zonder einde. Waar komt die rivier vandaan? Weg moet die rivier! Het duurt tot 2003, na een reis met een schip (vrienden op onverwachte plekken) voor ik begrijp hoe het verder moet met mijn ridder, en wat de rivier mij vertelt, als ik maar zou luisteren.
Mijn bazen en collega's vonden mijn schriftelijke werkstukken over het algemeen prachtig, al mocht het vaak wel wat bondiger prachtig zijn.
Het oorspronkelijke manuscript van De Cassandra Paradox telt een kleine duizend pagina’s. Ik had niet één boek geschreven, maar drie. Wist ik veel.
Ik start met opdrachtjes aan mezelf. De eerste opdracht is dat ik niet bij elk woord commentaar op mezelf lever. De eerste zin kon namelijk altijd beter, puntiger, grappiger, duidelijker, en de eerste zin is het belangrijkst tot je de eerste zin hebt, dan is de tweede het belangrijkst. Anders gezegd, ik moest niet alleen beginnen, maar ook doorgaan.
Ik herinner me de eerste keer dat ik door de vier pagina-barrière dender. De magische tien, zestien. Ik ben bekaf en doodmoe, heb twee nachten niet geslapen.
Zo ontstaat een verhaal van een hoofdstuk of vier, over een Amerikaanse senator die wordt gechanteerd - tenminste dat denkt hij. Hierop volgt een lang hoofdstuk over een Duitse ingenieur, die wordt ingehuurd (door wie?) om een geheimzinnig bouwwerk (is het een bunker? een luxueus resort?) aan de voet van de Andes te inspecteren.
Dan volgt het eerste verhaal dat ik aan Mac laat lezen: een jonge vrouw bij een mysterieuze sekte waar van alles gebeurt, maar er mag niet worden gesproken. Wie is die jonge vrouw (zij heeft geen naam)? Waar komt ze vandaan? Is ze ontvoerd? Goede vragen, maar ik heb geen enkel idee; alles is een cliffhanger en dus is alles niets. Ik bedenk twee rechercheurs om het voor me op te lossen, uiteraard een beginner en een oude rot, genaamd Holt en Ridder (zoals De Cassandra Paradox lange tijd heeft geheten). Ze zitten in de file, in de kroeg, in een broodjeszaak, en spreken in een tragikomisch staccato geheimtaal over van alles en nog wat, behalve over het werk. Amateur-Baantjer meets Grijpstra en de Gier. Kuifje in thrillerland. Het verbaast me dan ook niet dat Holt van de ene dag op de andere ontslag neemt, een donderslag bij heldere hemel voor Ridder. Pas maanden laten volgt een ontmoeting waar Ridder alle vragen zal gaan stellen. In de voorlopig laatste scene die ik met ze schijft, staan ze tegenover elkaar op een druk kruispunt in het centrum, vlak voor de allesbepalende afspraak. Ze zien elkaar, wuiven, het voetgangerslicht springt op groen, Holt steekt over. Een chauffeur van een bestelauto let niet op, hij is verdwaald, heeft zijn dag niet, wordt verblind door het zonlicht. Door zijn ogen zien we hoe Holt wordt aangereden en ter plekke overlijdt.
Ik doe in die periode ook nog mee aan de Harry Mulisch-imitatiewedstrijd in Vrij Nederland, met een uitgesponnen jeugdherinnering en een metafoor over een spin en een vlieg en een web, genaamd De val. 'Die wedstrijd ga ik winnen,' zeg ik tegen mijn moeder. Zij is fan sinds ze de heer Mulisch een keer in Américain heeft aangesproken over De Ontdekking van de Hemel. Ze geeft me mijn inzending terug en zegt 'Ben benieuwd.' Dat kon mijn moeder als geen ander: een oprechte reactie, zorgzaam, het commentaar er tussen de regels door gratis bij. Niemand won. Drie inzendingen, waaronder niet de mijne, krijgen een eervolle vermelding, maar de overige achtte de juryleden, waaronder Remco Campert, ondermaats.
Langzaam vul ik een map met verhalen, het resultaat van opdrachtjes aan mezelf. Als ik constateer dat er veel wordt gedacht, leg ik mezelf op een hoofdstuk dialoog te doen. Daarna een hoofdstuk zonder denken, dialoog of uitleg - kortom actie. Ik dwing mezelf landschappen beschrijven (niet mijn lievelingsklus), een bar en nog een, de smaak van eten, drinken, uiterlijk en houding van mensen op straat. Later zal JdeJ, mijn geweldige eindredactrice bij De Bezige Bij, constateren dat er in mijn boek wel erg veel wordt gefronst en geknikt en gewreven over voorhoofden. De Cassandra Paradox was daar al te ontdekken, in die map vol puzzelstukjes, fragmenten, mysteries en raadsels zonder oplossing. Het begint, zoals King zei, met beginnen, maar voor mij elke dag, elke zin opnieuw. En met luisteren naar plotseling opduikende onbedachte rivieren, de krenten in de pap.
In januari 2003 neem ik twee beslissingen.
Allebei begrijpelijk, slechts één ervan is juist.
De juiste beslissing is een boek te schrijven.
De andere beslissing is dat het boek moest gaan over de jonge vrouw, een senator, twee politieagenten waarvan er één inmiddels verongelukt is, en een geheimzinnige bunker/villa/tempel in het Andesgebergte - en o ja over een spin, een vlieg en een web. Voor mij ligt een stapel hoofdstukken van twee telefoonboeken dik, die nooit als boek zijn bedoeld, zonder enige plot, samenhang of zelfs maar gemeenschappelijke stijl. Zo heb ik bijvoorbeeld vier ik-personages. Bovenop de stapel ligt een foto die ik van internet pluk; een rivier – uiteraard een rivier – slingerend door eindeloos blauwgroen regenwoud.
Ik ga aan het werk en houd de moed erin met wijze woorden van voorbeelden. Zoals Freek de Jonge, die zegt dat het verhaal er al is, en dat de verteller het alleen maar kan verpesten. En Stephen Kings Omit needless words. Of de woorden van de beeldhouwer: Het beeld zit er al in, het enige dat ik doe is het overbodige er af hakken. Ik heb een jaar lang volgehouden dat mijn boek volgende week klaar was.
De beslissing een boek te gaan schrijven was voor mij welbewust een andere dan de beslissing gelezen te willen worden. Anderhalf jaar, vier versies en evenzoveel titels later, stuur ik mijn familieleden en een aantal bekenden mijn manuscript, en ik vraag ze om commentaar. Zij vormen de First Readers Club van De Cassandra Paradox. Met hun opmerkingen schrijf ik de versie die ik uiteindelijk naar twee uitgeverijen stuur. Beide benader ik via via, en beide willen het uitgeven (een derde bedankt voor de eer).
Wanneer ik kom kennismaken met de Bezige Bij, smelt ik al in de hal. Mijn keus is gemaakt. ‘Ik zie nog wel een plekje voor mijn foto,’ zeg ik, half scherts, half overmoed tegen Robbert Ammerlaan.
JdeJ heeft wat ideeën om het in te korten, maar ik moet dat vooral zien als 'suggesties'. Ik ben erop voorbereid: de vuistregel, heb ik van King geleerd, is ongeveer tien procent schrappen per versie. ‘Tuurlijk, kom maar op,’ zeg ik, 'je hoeft met mij niet zo voorzichtig te doen.’ Wist ik veel.
Uiteindelijk schrap ik op haar advies 130.000 woorden. Wat ben ik blij dat ik dat gedaan heb. Maar, eerlijk is eerlijk, dat vind ik pas achteraf. Er zijn momenten geweest dat ik die hele Bezige Bij die er niets van snapt in de fik kan steken. In een van die herschrijf-depressies kom ik bij Hemels van der Hart over een campagne praten. 'Niets weggooien,' zegt Pieter. Ter plekke heeft hij het idee voor de website en de campagne. Door het herschrijven met JdeJ is mijn boek toegankelijker geworden, vlotter, sneller en (vreemd genoeg, ondanks de drastische inkorting) completer. Het verhaal is mijzelf nu ook vele malen duidelijker. En uiteraard zijn er dierbare details, complete personages, tien hele dagen, gesneuveld. Daarom is deze website van De Cassandra Paradox meer dan de campagne: het is een eerbetoon aan mijn darlings.
(WA, november 2005)
De Cassandra Paradox - Hoe het verder ging
Genomineerd voor de Gouden Strop 2006