Willem Asman


Koninginnedag 2009, tien voor twaalf


Weet u nog waar u was? Wat u dacht? Wat u deed?
Bij mij thuis ging de telefoon.

Boek IV - Het Moment
Op het display zie ik wie het is.
‘Hai vader,’ neem ik op. Wat een prachtige Koninginnedag, denk ik, terwijl ik door het raam de hemel zie; strakblauw, wolkeloos. We maken aanstalten hem op te pikken om samen de stad in te gaan. Mijn vader verheugt zich er op, dit jaar in het bijzonder. Koninginnedag, moet u weten, is in mijn familie altijd een nogal rare dag geweest, en al helemaal voor mijn vader – het is namelijk zijn verjaardag, vanmorgen vroeg hebben we hem volgens traditie telefonisch Lang zallie leven toegezongen.
‘Hebben jullie de tv aan?’ vraagt hij.
Ik kan me niet anders herinneren of de aanloop naar Koninginnedag betekende bij ons thuis inkopen doen en plannen maken voor de visite. De dag zelf bestond uit wachten tot ze al dan niet verschenen. Toen ik klein was volgden we op televisie de defilés. Later bekeken we de Koninklijke Familie in het land: volksdansen, koekhappen.
‘Nee,’ zeg ik. ‘Hoezo?’
Maar dit jaar, hebben we afgesproken, gaan we het anders doen. Hij heeft iedereen afgebeld die eventueel aan de deur zou kunnen verschijnen om hem te feliciteren. We hebben ons voorgenomen met Lijn 25 vanaf de kop van de Rijnstraat de stad in te rijden, en ons dan vervolgens te laten verrassen door het feestgedruis. Wie weet stappen we ergens uit, als het er gezellig genoeg uitziet, misschien ook niet.
‘Een aanslag op de Koningin. In Apeldoorn. Het is live op tv.’

Boek IV – Het beeld
Ik weet het nog precies. Het beeld raakt me onmiddellijk en lichamelijk. Het is te vergelijken met wat ik me kan herinneren van mijn gevoel op nine-eleven: ik wilde niet kijken, wilde niet geloven, maar kon niet anders, alles moest ik zien, horen.
Eindeloos herhaald zie ik de zwarte Suzuki, die agente op de fiets, het trapje van die fotograaf, de hartmassage op die kruising, die handen van Máxima en Willem-Alexander. En de eenzame schoen die er altijd is na afloop, de eenzame schoen die ik nog ken uit Wondermans eindspel.
‘Ik kan wel janken,’ zegt mijn vader aan de telefoon.
‘Ja,’ zeg ik, ‘ik ook.’
Van de stad in is geen sprake meer.

Wat we doen, in afwachting van de persconferentie
Heel Nederland, ons collectieve geheugen, heeft dit op het netvlies, onuitwisbaar. Uitgerekend op het kruispunt in Apeldoorn waar op dat tijdstip alle camera’s en alle fotografen zijn verzameld, om niets van het defilé te missen dat nog eenmaal zal worden gehouden ter ere van de honderdste geboortedag van Juliana.
In afwachting van de persconferentie, slaan commentatoren aan het speculeren. Hoewel ze erbij zeggen dat het daar natuurlijk te vroeg voor is en dat we vooral niet op de feiten vooruit moeten lopen. Bij gebrek aan nieuws worden internet en twitter geciteerd, live in de uitzending, hoewel erbij wordt gezegd dat de berichten nog onbevestigd zijn. Gerespecteerde nieuwslezers stellen vragen waar niemand het antwoord op heeft, met geen ander doel dan om de tijd te overbruggen. Waarom heeft dit moeten gebeuren? Zal Koninginnedag ooit nog hetzelfde zijn? Kunnen we al iets zeggen over de beveiliging?
In Apeldoorn zie ik mensen in de rij, keurig staan ze te wachten op hun beurt, om aan de cameraploeg te vertellen waar ze waren (vlakbij de kruising), wat ze dachten (dat ze het eerst niet konden geloven) en wat ze gingen doen (naar huis).

Wat ik dacht
Het a-woord valt. Juist op het moment dat we dachten dat het niet erger kon. Ook ik denk inmiddels het ondenkbare: Stel dat de dader allochtoon is. Het mag niet uitmaken, maar dat doet het natuurlijk wel.
‘Nee toch, hè vader?’
Als even later de kersverse burgemeester van Rotterdam Ahmed Aboutaleb de NOS en RTL belt, en inbreekt in de uitzending om te melden dat alle officiële festiviteiten in Rotterdam zijn afgelast (Ahmed Aboutaleb en niemand anders, uitgerekend hij, de eerste allochtone burgemeester van Nederland, de eerste hoogwaardigheidsbekleder die actief het woord voert op tv), weet ik het zeker.
Op de televisie zijn we het eens dat het veel te vroeg is voor conclusies en dat we vooral onze kalmte moeten bewaren.
Maar in mijn fantasie zie ik rassenrellen, brandende banlieues en Wilders met vijftig zetels, de grootste van het land.

146 minuten later
Om zestien over twee op Koninginnedag 2009, 146 minuten na de aanslag, verschijnt minister-president Jan-Peter Balkenende in beeld, op luchthaven Zestienhoven. Op youtube is het terug te zien (klik hier). Ik hoor niet echt wat hij zegt. Zoals me wel vaker overkomt als hij aan het woord is, dwalen mijn gedachten af. Tony Blair schiet me te binnen, en wat hij zei op de dag na de dood van Diana: The people’s princess. En Obama’s bezwering Yes we can, en Ich bin ein Berliner, I have a dream zijn er ook, ach wat zit ik te doen, wat maak ik mezelf wijs – dat gaan we niet meemaken.
Wat zou ik er voor over hebben onze minister-president eens – just once – iets te horen zeggen dat mij raakt, troost, inspireert na het zien van die eindeloos herhaalde beelden van onmacht, na het horen van al die vragen waarop het antwoord uitblijft en na al die woorden van ongeloof? Iets dat mij doet nadenken over Nederland en wat we er van hebben gemaakt met zijn allen?
Begint mijn Boek IV daar, op de bank voor de tv, die 146 minuten in afwachting van, met mijn jarige vader aan de telefoon? Ja en nee.

Hoe het verder ging met Wonderman
Iets meer dan een maand later, op 2 juni 2009, ontmoet ik voor het eerst Jan Pronk, de man die volgens iedereen die het weten kan model heeft gestaan voor mijn fictieve personage Jaap Vos in mijn Boek 3, Wondermans eindspel.
We staan in de hal van de Melkweg in Amsterdam, schudden elkaar de hand. ‘Ik had u willen bellen, mijnheer Pronk.’
‘Het is goed, mijnheer Asman,’ antwoordt hij meteen, ‘dat u dat niet hebt gedaan.’
‘Hoe kom je in vredesnaam op Jan Pronk als inspiratie voor een romanfiguur?’ vraagt de gespreksleider die avond, een vraag die me vaker werd gesteld.
‘Ik kom uit een rood nest,’ antwoord ik. ‘Ik had dit boek nooit kunnen schrijven over een CDA-politicus.’ Het is mijn routineantwoord. Maar ditmaal, zij aan zij met Jan Pronk (die onverwacht genereus is over mijn boek en onverwacht bescheiden waar het gaat om zichzelf), overtuigt mijn antwoord op de automatische piloot me niet. Laten we het er maar op houden dat ik er niet van hou wanneer ik mezelf ‘nooit’ hoor zeggen.

Dat beeld, dat moment, die 146 minuten van onmacht en ongeloof, op de grens van hoop (dat het afloopt met een sisser) en boosheid (Balkenende, de immer oninspirerende), worden de motor van Koninginnedag. Mijn ‘nooit een boek over een CDA-politicus’ wordt de brandstof.

Verbeelding of werkelijkheid?
Kan ik er iets mee? Iets meer dan geschokt zijn, verbijsterd, onthutst en sprakeloos? Iets meer dan kaarsjes aansteken en teddyberen neerleggen bij het kruispunt? Iets meer dan op een condoleanceregister mijn medeleven betuigen, zoals onze minister-president Balkenende daar stond te doen op Zestienhoven om 14.16 uur?
Wie heeft hem dat eigenlijk verteld, zo te moeten reageren? Waar kwam hij eigenlijk vandaan? Andere dingen aan zijn hoofd? Wat deed hij toen hij het hoorde? Wat dacht hij, voelde hij? En hoe kom ik daar in ’s hemelsnaam achter zonder het hem direct te vragen (het advies van Jan Pronk)?
En wat zou er gebeuren als ik de daad en de dader dichtbij zoek, om te zien wat we ervan kunnen leren over onszelf? Het is namelijk wel gebeurd, niet ergens ver hier vandaan, lang geleden, maar in Nederland anno nu, bij mij in de straat.

Jed Bartlett
Later, als ik me afvraag hoe ik hier in vredesnaam een boek van moet maken, met als ingrediënten een gebeurtenis waarvan iedereen de afloop al kent en met onze minister-president als onwaarschijnlijkste held, schiet Jed Bartlet me te binnen, de fictieve president van de Verenigde Staten uit The West Wing, de meest indrukwekkende televisieserie aller tijden.
Naast ongekend slimme schrijvers en een wereldcast, is voor mij de meest briljante vondst dat de afleveringen eindigen waar de kijker normaal gesproken inschakelt, namelijk op het moment dat de President zijn toespraak afsteekt.
The West Wing draaide die televisiewerkelijkheid terug: we zien de President achter de schermen, de episodes eindigen soms ook letterlijk op het moment dat hij de felle lampen, de fotografen, camera’s en microfoons tegemoet treedt.
Toon en timing van een aflevering The West Wing, kan ik dat? Van Balkenende een Bartlet maken? Niet de Balkenende die we zien, maar de Balkenende die we graag zouden willen zien?
En, als we toch bezig zijn met mijn ambities waar het Boek IV betreft te formuleren, kan ik een ‘ik’-boek? Kan ik na de grote greep, de brandhaarden van de wereld, Latijns-Amerika, de Balkan en Afrika een boek op de vierkante millimeter in de Haagse polder? Kan ik herschrijven in drie weken, waar ik voorheen evenveel maanden nodig had? Kan ik het niet in 471 (De Cassandra Paradox), niet in 397 (Britannica), niet in 358 (Wondermans eindspel) maar in 224 pagina’s?
En, last but not least, kan ik het zonder schokeffecten – want een boek over Koninginnedag 2009 heeft alles nodig, maar dat niet.
Allemaal nieuw voor mij.
Zoals het nieuw voor mij is dat een boek van mij De Telegraaf en Het Parool haalt, de radio, SBS6 Shownieuws en RTL Boulevard, twee maanden voor het in de winkel ligt. En nieuw dat mensen hun ongezouten mening over mij en mijn werk ventileren op websites, lang voor er een letter is gelezen. En dat ik niet zozeer uit landsbelang maar om puur egoïstische motieven hoopte dat het kabinet Balkenende IV het nog even vol zou houden.

Boek IV – missie geslaagd?
Pfff. Ik ben er de afgelopen maanden te hard mee bezig geweest, te geconcentreerd, om er nog een zinnig woord aan toe te voegen. Maar laten we het voor nu houden bij de reactie van mijn vader (geen Balkenende-fan.)
‘Gadverdamme,’ zei hij, na lezing van mijn eerste manuscript, nadat ik hem vroeg of hij mijn minister-president geloofde. ‘Ik vond hem zelfs aardig. Heb je nou je zin?’

WA (maart 2010)





De Bezige Bij Cargo