Waar het begint
Boek 3 – boek met een missieIn juni 2007, bij het begin van mijn Boek 3, geef ik mezelf drie opdrachten.
Nooit weer (Eerste Opdracht)De eerste opdracht aan mezelf wordt uit woede geboren.
Het is november 2006, tijdens een van de vele
Britannica-herschrijfrondes.
Mijn Judge Stills leest op dat moment nog alle vier de dagboeken. Ik voel me als een drenkeling in mijn eigen manuscript en het wrakhout waaraan ik mij optrek, is een inhoudsopgave waarin ik in 400 pagina’s maar liefst twaalf maal een eeuw reis. Talloze verhaallijnen, plots binnen plots, slimmigheidjes, historische paradoxen, gespiegelde thematiek, inzichten en doorzichten, feitjes en details op elke pagina. Een ambitieus manuscript, jazeker, maar topzwaar. Ik ben verdwaald, zit klem, er zit niets anders op: de helft zal en moet eruit. Schrijven is allang geen schrappen meer, maar slopen. Wat erger is:
I’ve been here before. De les die ik dacht te hebben geleerd tijdens het herschrijven van
De Cassandra Paradox, heb ik helemaal niet geleerd.
Asman is een ezel.
‘Nooit weer,’ denk ik.
Van slachtoffer naar daderZie ik dan geen enkel verschil? Natuurlijk wel. Zo ben ik ditmaal niet boos op De Bezige Bij die er niets van snapt. Bij
Britannica ben ik boos op mezelf, ha! Van slachtoffer naar dader – als dát geen vooruitgang is. Ik klamp me vast aan dit lichtpuntje als aan de lucifer die je opgelucht aanstrijkt in een verduisterde nachtmerrie, zodat je kunt zien – in die laatste seconde, die flits van helderheid – dat het geen kaars is die je aansteekt, maar de lont van een dynamietstaaf.
BoemHoe doen ‘echte schrijvers’ het? Wanneer ik voorzichtig informeer bij collega’s hoor ik griezelverhalen over muren vol aantekeningen en spreadsheets met keurig gedoseerde scènes en plotwendingen. Eerst denken, dan pas doen, is hun aanpak, loodrecht op de mijne, Stephen Kings
‘to begin’ en Karel Appels ‘ik rotzooi maar wat an’. Ik verbied mezelf om een letter aan Boek 3 te schrijven voordat ik alles heb uitgedokterd. Pas als ik het begin heb bedacht, het einde, de cliffhangers, de personages, hun motieven, hun valkuilen, mag ik gaan schrijven.
Boem. Een eerste zin heb ik ook al. En dus een laatste. Paul J. geeft me
Screenplay van Syd Field, een zelfbenoemd Hollywoodgoeroe uit de tachtiger jaren. Doe dit, zegt Field, met de stelligheid die elke Amerikaan lijkt aangeboren: dit en niets anders.
Don’t begin before you know your end. Every scene should move the story forward.
Kan het zo simpel zijn? Of, beter gezegd:
Kan Asman het zo simpel? Ik denk aan Indiana Jones. Ze vliegen boven de Himalaya als de dame aan zijn zijde ontdekt dat er geen piloot meer is. Onthutst wekt ze Indy.
‘Do you know how to fly?’ Hij zit al aan de stuurknuppel, zet zijn hoed recht.
‘How hard can it be?’ In juni 2007 begin ik aan mijn outline, geheel volgens Hollywood-recept: Akte 1, akte 2, akte 3. Een maand later heb ik 45 hoofdstukken, keurig verdeeld in drie delen. Vervolgens doe ik twee maanden de invuloefening. Eind september zet ik de laatste punt. Enigszins beduusd maak ik de balans op van mijn schrijfkunst
so far.
De Cassandra Paradox kostte me twee jaar.
Britannica vijftien maanden. Boek 3 vier. Als ik zo doorga, doe ik Boek 4 in een week, Boek 5 op een achternamiddag tijdens de thee.
Had ik nu mijn zin? Als ik eerlijk ben: ja, maar nee.
Ja, want ik heb het gedaan. Grappig wel, dat ik dit blijkbaar ook kan.
Maar nee. Van een boek schrijven heb ik een makkie gemaakt, een invuloefening, een kunstje, iets technisch, mechanisch, geen bal meer aan. Paul J. en Pieter H. waarschuwden me nog (of ik het zeker wist, of techniek niet haaks op passie en onbevangenheid stond), maar ik wilde van geen ophouden weten (de lat hoger, de volgende stap in de ontwikkeling, man met missie). Alsof mijn gevoel al niet erg genoeg is, zijn mijn
First Readers unaniem van mening dat dit manuscript het beste is wat ik ooit gemaakt heb, een ware page turner.
Plaats delict: Afrika (Opdracht Twee) Al sinds vier rode cirkels pal op de evenaar verschenen op de omgekeerde wereldkaart in een verlaten schoolgebouw tweehonderd mijl ten noordoosten van Quito, Ecuador, weet ik dat ik Afrika ga bezoeken.
Zal ik ook daar een geheimzinnige tempelruïne aantreffen, zoals een van de epilogen van
De Cassandra Paradox suggereert? Ik speel even met het idee van een
sequel of
prequel, noem Boek 3 zelfs enige tijd ‘C2’, maar het boeit me niet (of nog niet) voldoende.
Did it, done it, got a t-shirt. Wat weet ik eigenlijk van Afrika? Paradoxen, clichés. De gironummers op televisie aan de ene kant, de prachtige BBC-natuurdocumentaires met de betoverende voice-over van sir David Attenborough aan de andere. Het continent van Nelson Mandela, maar ook van Idi Amin.
The origin of man en
The origin of aids.
Van mijn meest recente trip naar Afrika herinner ik me Duitse toeristen rond een streng bewaakt luxe zwembad, krappe steegjes waar ik niet in durfde, schilderachtige toeristenmarktjes waar ik moest afdingen. Vooral: plaatsvervangende schaamte. Geroutineerde Afrikagangers hebben soortgelijke ervaringen: het contrast, de mensen, de hitte, de droogte, de armoede, de pracht, de trots, de geur.
In een poging een rode draad te ontdekken en het continent te doorgronden, leg ik een archief krantenknipsels aan per land, per cliché. Ik lees alles van Kees Broere, Afrikacorrespondent van de Volkskrant. Dertig centimeter verhalen van hoop en wanhoop, schuld en onschuld, helden en schurken.
Courtemanche en EggersWanneer ik Joop M. van de M-ABC boekenclub vertel van mijn Afrika-project, krijg ik van hem
Een zondag aan een zwembad in Kigali van Gil Courtemanche en
Wat is de Wat van Dave Eggers.
Courtemanche lees ik in september 2007, Eggers in februari 2008.
Vergeleken met mijn boosheid is Courtemanche WOEDEND met uitroeptekens. Alles en iedereen krijgt ervan langs – de blauwhelmen, de VN, het IMF, de Wereldbank, de media, Canada, Frankrijk, Courtemanche zelf. Ik vind het een naar boek. Een boek over haat, met haat geschreven. Ik kan het niet wegleggen, maar het mag niet eindigen met die wanhoop, die aanklacht, met iedereen de schuld.
Wat is de Wat van Dave Eggers is schrijnend schitterend. De verschrikkingen krijgen reliëf, diepte en kracht door de keuzes van de verteller, de kinderstem van Valentino Achak Deng – hoe hij ze maakt en waarom. Schokkend is de scène waarin je begrijpt dat dit kind een hekel krijgt aan zijn eigen volk: we verdienen niet beter, denkt hij, laat ons dus maar sterven. Van daders en slachtoffers gesproken.
Eggers is ongetwijfeld even woedend als Courtemanche, maar zonder het tomeloze, machteloze, het hulpeloze. Ook Eggers geeft trouwens geen oplossing.
Onbewust verfijn ik Opdracht Twee Aan Mezelf en neem ik me voor dat mijn Boek 3 zal beginnen waar Courtemanche en Eggers eindigen.
Standpuntland (Opdracht Drie) ‘Er is in Nederland heus nog genoeg te doen, hoor, meneer,’ zegt een stem op de radio. De stelling waarop hij reageert luidt
Darfoer verdient meer aandacht. ‘Waarom hebben wij het altijd,’ zegt hij, ‘over wat er zogenaamd mis is in het buitenland, met dat typisch Nederlandse opgeheven vingertje? We weten altijd zo goed hoe het bij anderen moet.’
Ik huiver. Kiplings White Man’s Burden, de redenatie omgekeerd.
Dit is de periode dat Peter R. de Vries de ether regeert met zijn ‘oplossing’ van de zaak Nathalie Holloway.
Waarom hebben wij altijd aandacht voor standpunten? denk ik. De stem van de straat heeft dagelijks zendtijd, de luidsprekers van de onderbuik, niet gehinderd door enige kennis van zaken. Sinds wanneer is spreken goud? Het Maurice de Hondvirus? Sinds Fortuyn, slecht begrepen? Wie heeft besloten dat luisteren en dialoog verdacht zijn en dat nadenken en nuance per definitie tot polderen leidt? Hoe kan het eigenlijk dat Wilders’ “de minister liegt” alle journaals haalt (vier zetels erbij)?
Opdracht Drie aan mezelf is geboren: Hoe bestrijd je standpunten zonder standpunt? Luidheid zonder luid te zijn?
Euhh… ‘Je kunt niet achterover leunen, er sterven daar mensen.’
Gelukkig, er is nog wel betrokkenheid. Aan het woord is Ira Newble, een Amerikaanse profbasketballer. Darfoer is sportnieuws, want de NBA-playoffs komen eraan.
‘Zo kan het niet langer,’ zegt Ira.
Atleten met miljoenensalarissen die oog houden voor de ellende in de wereld, de honderdduizenden doden, de miljoenen vluchtelingen, dat is te prijzen.
Ira heeft gelijk. Dit is een
call to arms. Wij moeten iets doen. “Wij.” “Iets.”
Maar wie? Wat? Het leger zit vast in Irak en Afghanistan. Collectief een maandsalaris doneren? Er zelf heen, de NBA platleggen, allemaal naar Soedan vliegen, op de barricaden, een episch gevecht tussen goed en kwaad, Hemingway-
style?
Nee, Ira’s plan is minder ambitieus, lees ik. Om te beginnen denkt hij aan een petitie op het web, misschien gevolgd door een fakkeltocht en uiteindelijke mogelijk een open brief aan de regering van China, want (zegt een hoogleraar) Beijing is er verantwoordelijk voor dat pas tweehonderd van de beloofde tweeëntwintigduizend blauwhelmen in Darfoer actief zijn.
Jammer, Ira, denk ik.
Wij zeggen maar
zij daar in China bedoelen.
Ook gij, Asman?De wereld staat in brand, Ira doet zijn best om een steentje bij te dragen, en Asman weet het weer beter. Lekker makkelijk vanuit de leunstoel.
Ik weet het eigenlijk altijd beter. Wat is dan het verschil tussen hem en mij? Dat ik het niet van de daken blaas? Kan ik dat serieus volhouden? Wat is mijn rol eigenlijk? Blaas ik in mijn boeken en mijn weblog niet ook nogal hoogmoedig van de toren in de geest van Multatuli’s ‘niets is waar en zelfs dat niet’?
Wat zou ik doen? Stel dat Kofi Annan, de Secretaris Generaal van de Verenigde Naties, tijdens de veelgeplaagde nadagen van zijn laatste ambtstermijn, mij belt?
Het is zondagavond. Onbekend nummer, zie ik op mijn schermpje. Ik neem op. Onmiddellijk herken ik zijn toon, zijn dictie, de wereldberoemde, vermoeide, hese stem, zacht maar dwingend.
‘Willem, we need you. Time is running out.’Niemand kan die stem weigeren.
Had ik nu mijn zin (2)?Koffers pakken en erheen? Ze zien me aankomen met mijn laptopje. Ik denk aan Paul Theroux’ woorden: ‘Omdat het lijkt alsof Afrika nog niet af is, trekt het mythomanen aan, mensen die de wereld van hun waarden willen overtuigen.’
Niet erheen dus. Ik ben van nature geen held. Ik zou een Courtemanche worden – hopeloos, machteloos, uitzinnig – en één Courtemanche is genoeg.
Wat dan? Jan Pronk bellen?
Verder kom ik eigenlijk niet. Ook ik doe uiteindelijk niet anders dan luide woorden van verontwaardiging spreken, het probleem verleggen en de oplossing van een ander verwachten. Ik besluit Jan Pronk dan ook niet te bellen, maar zelf verantwoordelijkheid te nemen. Schrijven, zei collega Dorrestein al, is het oplossen van problemen die de schrijver zelf heeft gecreëerd.
Ik ben op dit moment natuurlijk al lang geen boek meer aan het schrijven. Woedend ben ik Asmans oplossing voor De Grote Afrikaanse Kwestie aan het najagen, die zo verrassend en voor de hand liggend zal zijn, dat het achteraf te gek voor woorden is dat iedereen hem al die tijd over het hoofd heeft gezien. Niet toevalligerwijs is mijn Boek 3 op dat moment het verhaal van de man die zijn eigen reputatie is gaan geloven. Niet toevalligerwijs lees ik op dat moment
Woede van Salman Rushdie en
Ik heb altijd gelijk, W.F. Hermans in topvorm. Niet toevalligerwijs is mijn Boek 3 op dat moment een boos manuscript met een nare hoofdpersoon en een ongeloofwaardig en onmenselijk einde (boem). Het verhaal over het grote onbescheiden project van een man wiens ambitie hem blind maakte. Van de man die de magie eraf haalde, met zijn zelfgestelde doelen en opdrachtjes. Die vergat waar het ook alweer over ging en die al doende zijn grote liefde bijna om zeep hielp. Een drammerige man, een man vol woede, blind voor de wereld, zo betrokken en overtuigd van zichzelf en zijn eigen goede bedoelingen dat alles en iedereen voor zijn gelijk moet wijken.
Had ik nu mijn zin (3)? Het scheelde weinig, eerlijk is eerlijk, of mijn Boek 3 was in de prullenbak geëindigd.
Maar Pieter Swinkels, mijn onvolprezen
partner in crime, overtuigt mij in mei 2008 dat Wonderman een tweede kans verdient.
‘Waar gaat het verhaal over?’ is ditmaal zijn vraag.
Onder de gordel. Meer dan honderdtwintigduizend woorden schrijven en dan die vraag over het hoofd zien. Ben ik er toch weer ingetrapt? Die zomer begint mijn twijfel bijna existentiële vormen aan te nemen: moet ik mezelf meer of juist minder serieus nemen? Gaat dit boek eigenlijk wel over Afrika? De Verenigde Naties? De rol van het Westen? Schuldgevoel? Goede bedoelingen? Over wat er resteert zonder hoop (een alternatief?)?
Of gaat het over een man? Zo ja: welke? De hoofdpersoon? De schrijver? Misschien moet hij zichzelf eens in de spiegel bekijken? Misschien moet hij minder blind worden, minder overtuigd? Misschien moet hij zich eens ontspannen? Stel je voor, ontspannen terwijl de wereld in brand staat?
Welke twist had Boek 3 in petto voor de man om wie het draait? Welke revanche, welke redding, welk onverwacht eindspel? Het antwoord ligt voor u klaar, vanaf 15 januari 2009 in de boekhandel.